Na het overlijden van mijn schoonvader wilde mijn schoonmoeder bij ons intrekken – maar ik voelde me gevangen in haar verdriet
‘Ruby, ik kan het niet alleen. Ik voel me zo verloren zonder hem.’
De woorden van Ellie galmen nog steeds na in mijn hoofd. Het was een regenachtige dinsdagavond, amper drie weken na de begrafenis van mijn schoonvader. Scott zat naast haar op de bank, zijn hand beschermend op haar schouder. Ik stond in de keuken, luisterend naar hun gesprek terwijl ik de vaatwasser uitruimde. Mijn hart bonsde in mijn keel.
‘Mam, je mag altijd bij ons komen wonen,’ zei Scott zacht. ‘We hebben ruimte genoeg.’
Ik liet bijna een bord vallen. Dit was niet besproken. Niet écht. Natuurlijk hadden we het erover gehad, vluchtig, tussen de bedrijven door. Maar nu voelde het alsof ik geen keuze had. Alsof ik toekeek hoe mijn leven een andere richting op werd geduwd, zonder dat ik daar invloed op had.
Die avond lag ik wakker naast Scott. Zijn ademhaling was rustig, maar ik voelde de spanning in zijn schouders. Ik draaide me om en fluisterde: ‘Scott, weet je zeker dat dit goed is? Ze is pas 55. Ze kan toch voor zichzelf zorgen?’
Hij zuchtte diep. ‘Ze is kapot, Ruby. Ze heeft niemand meer.’
‘Ze heeft jou. En mij. Maar…’
Hij draaide zich naar me toe. ‘Ruby, alsjeblieft. Ze is mijn moeder.’
Ik slikte mijn woorden in. Wat kon ik zeggen? Mijn eigen moeder was op haar 58e overleden aan kanker. Ik wist hoe rauw verlies kon voelen, maar ik wist ook hoe verstikkend het kon zijn als verdriet alles overnam.
De weken die volgden waren een waas van dozen, tranen en eindeloze kopjes thee. Ellie’s spullen vulden onze logeerkamer – haar favoriete boeken, foto’s van haar en mijn schoonvader op Texel, een vergeelde trouwjurk in een plastic hoes. Ze bracht haar dagen door op onze bank, starend naar de televisie zonder echt te kijken.
‘Ruby, zou je even kunnen helpen met mijn medicijnen?’ vroeg ze op een ochtend terwijl ik haastig mijn jas aantrok om naar mijn werk te gaan.
‘Natuurlijk,’ zei ik, hoewel ik al te laat was.
Ze keek me aan met grote ogen. ‘Ik voel me zo duizelig vandaag…’
Ik belde mijn werk af en bleef thuis. Het werd een patroon: Ellie die zich zwak voelde, Ellie die niet alleen durfde te zijn, Ellie die steeds meer van mijn tijd opslokte. Scott zag het niet – of wilde het niet zien.
Op een avond zat ik met mijn beste vriendin Marieke op het terras bij de IJssel. De zon ging onder en ik vertelde haar alles.
‘Ruby, je moet grenzen stellen,’ zei ze beslist. ‘Dit gaat ten koste van jou.’
‘Maar Scott… hij begrijpt het niet. Hij denkt dat ze echt niet zonder ons kan.’
Marieke nam een slok wijn en keek me doordringend aan. ‘Misschien wil ze gewoon niet alleen zijn. Maar dat betekent niet dat jij alles moet opgeven.’
Thuisgekomen trof ik Ellie huilend aan in de woonkamer.
‘Wat is er gebeurd?’ vroeg ik bezorgd.
‘Ik hoorde je praten met Marieke… Wil je me weg hebben?’
Mijn maag draaide om. ‘Nee, natuurlijk niet! Maar…’
‘Je vindt me lastig,’ snikte ze.
Scott kwam binnen en keek me verwijtend aan. ‘Ruby, wat heb je gezegd?’
‘Niets! We hadden gewoon een gesprek.’
Ellie keek Scott smekend aan. ‘Ik voel me hier niet welkom.’
Scott sloeg zijn armen om haar heen en keek mij aan met een blik die ik niet kende: koud, afstandelijk.
Die nacht sliep hij op de bank.
De dagen werden zwaarder. Ellie’s klachten namen toe: rugpijn, hoofdpijn, slapeloosheid. Ze wilde niet naar de huisarts – ‘ze kunnen toch niets doen’ – maar verwachtte wel dat wij alles voor haar regelden.
Op een ochtend vond ik haar in de keuken, starend naar een foto van haar en mijn schoonvader.
‘Hij zou zo trots op je zijn,’ zei ik voorzichtig.
Ze schudde haar hoofd. ‘Hij zou willen dat jullie voor mij zorgen.’
Ik voelde woede opborrelen – waarom moest alles altijd om haar draaien? Waarom zag niemand hoe moe ik was?
Op een zondagmiddag barstte de bom.
Scott en ik zaten in de tuin toen Ellie naar buiten kwam met een stapel post in haar handen.
‘Ruby, kun jij deze papieren voor me uitzoeken? Ik snap er niks van.’
Ik stond op en zei: ‘Ellie, ik kan niet alles voor je doen. Je bent 55, geen 85! Je kunt dit zelf.’
Ze keek me aan alsof ik haar had geslagen.
‘Hoe kun je zoiets zeggen?’ riep Scott uit.
‘Omdat ik ook een leven heb!’ schreeuwde ik terug, tot mijn eigen schrik.
Ellie begon te huilen en liep naar binnen. Scott bleef me aankijken, zijn ogen vol teleurstelling.
‘Ik snap niet waarom je zo hard bent,’ zei hij zacht.
‘Omdat niemand aan mij denkt!’ riep ik uit. ‘Ik ben geen robot! Ik ben ook iemand die steun nodig heeft!’
Die avond pakte ik mijn tas en ging naar Marieke. Ik huilde tot diep in de nacht.
De volgende dag belde Scott me op.
‘Ruby… het spijt me,’ zei hij schor. ‘Ik zie nu pas hoe zwaar het voor je is.’
We spraken af om samen met Ellie te praten. Het werd een moeizaam gesprek vol tranen en verwijten.
‘Mam,’ zei Scott uiteindelijk, ‘we willen er voor je zijn, maar Ruby kan dit niet alleen dragen.’
Ellie keek ons aan – voor het eerst echt – en knikte langzaam.
We regelden hulp via de huisarts: maatschappelijk werk, dagbesteding, gesprekken met lotgenoten. Langzaam vond Ellie haar eigen weg terug naar het leven – en wij vonden elkaar weer terug als man en vrouw.
Soms kijk ik naar Ellie en voel ik medelijden én frustratie tegelijk. Hoe dun is de lijn tussen zorgen uit liefde en jezelf verliezen?
En dan vraag ik me af: hoeveel kun je geven voordat je jezelf kwijtraakt? Wat zouden jullie doen als je in mijn schoenen stond?