Na de scheiding van mijn zoon verloor ik mijn dierbare schoondochter: Ineens was ik een vreemde voor haar

‘Waarom neem je niet gewoon op, Sophie?’ Mijn vingers trillen terwijl ik alweer haar naam op mijn telefoon zie staan, maar dit keer niet omdat ze belt – het is de zoveelste keer dat ik haar probeer te bereiken. De stilte aan de andere kant van de lijn snijdt dieper dan ik ooit had gedacht. Vroeger was het anders. Vroeger was Sophie als een dochter voor me.

Ik ben Marjan, 62 jaar, geboren en getogen in Utrecht. Mijn leven was altijd overzichtelijk: getrouwd met Henk, moeder van twee kinderen – Tom en Lotte – en jarenlang werkzaam als verpleegkundige in het Diakonessenhuis. Toen Tom Sophie ontmoette, veranderde er iets in ons gezin. Ze kwam uit een klein dorpje in Drenthe, had een zachte G en een nog zachter hart. Vanaf het eerste moment dat ze bij ons binnenstapte, voelde ik dat ze anders was dan de meisjes die Tom eerder mee naar huis had genomen.

‘Mam, dit is Sophie,’ zei Tom die eerste avond, zijn hand beschermend op haar rug. Sophie glimlachte verlegen, maar haar ogen straalden. We aten stamppot en lachten om Henk’s flauwe grappen. Ik zag hoe ze naar Tom keek – vol liefde, vol vertrouwen. En ik voelde iets warms in mijn borst: hoop dat mijn zoon eindelijk iemand had gevonden die hem echt begreep.

De jaren gingen voorbij. Sophie werd steeds meer onderdeel van ons gezin. Ze hielp met het kerstdiner, stuurde me appjes als ik ziek was (‘Zal ik soep komen brengen?’), en samen wandelden we door het Wilhelminapark terwijl we spraken over alles en niets. Soms voelde het alsof ze meer mijn dochter was dan Lotte, die altijd zo afstandelijk bleef.

Maar niets blijft zoals het is. De eerste barstjes verschenen toen Tom zijn baan kwijtraakte. Hij werd prikkelbaar, trok zich terug. Sophie probeerde hem te steunen, maar ik zag haar worstelen. ‘Mam, ik weet niet meer wat ik moet doen,’ fluisterde ze op een avond terwijl we samen afwas deden. ‘Hij sluit zich af. Ik voel me zo alleen.’

‘Geef hem tijd,’ zei ik zacht. ‘Hij vindt zijn weg wel weer.’ Maar diep vanbinnen wist ik dat er meer aan de hand was.

De ruzies werden heftiger. Tom kwam steeds vaker bij ons logeren; Sophie stuurde me lange berichten vol twijfel en verdriet. ‘Ik hou van hem, maar ik weet niet of dit nog werkt,’ schreef ze eens. Ik probeerde neutraal te blijven, maar mijn hart brak voor haar én voor mijn zoon.

Toen kwam de dag van de scheiding. Het was een regenachtige dinsdag in november. Tom stond voor de deur met zijn koffers, zijn gezicht grauw en zijn ogen rood van het huilen. ‘Het is over, mam,’ zei hij alleen maar. Ik sloeg mijn armen om hem heen, maar voelde me machteloos.

De weken daarna probeerde ik contact te houden met Sophie. Ik stuurde haar kaartjes (‘Sterkte, lieve Sophie’), nodigde haar uit voor koffie (‘Je bent altijd welkom’), maar haar antwoorden werden steeds korter. Tot ze helemaal stopte met reageren.

‘Laat haar met rust, mam,’ zei Tom op een dag terwijl hij zijn koffie roerde. ‘Ze wil gewoon verder met haar leven.’

‘Maar ze hoort toch bij onze familie?’ protesteerde ik. ‘Ze is niet zomaar iemand!’

Tom keek me aan met die blik die hij vroeger als kind had als hij iets niet durfde te zeggen. ‘Misschien is het beter zo.’

Ik kon het niet accepteren. Ik bleef proberen: een berichtje op haar verjaardag (‘Gefeliciteerd, lieve Sophie’), een uitnodiging voor Pasen (‘We zouden het fijn vinden als je erbij bent’). Maar alles bleef onbeantwoord.

Op een dag liep ik haar tegen het lijf in de Albert Heijn aan de Nachtegaalstraat. Ze stond bij de groenteafdeling, haar mandje vol verse spinazie en tomaten. Mijn hart sloeg over.

‘Sophie!’ riep ik uit.

Ze draaide zich om, haar gezicht verstarde even voordat ze een beleefde glimlach opzette. ‘Oh… hoi Marjan.’

‘Hoe gaat het met je?’ vroeg ik voorzichtig.

Ze haalde haar schouders op. ‘Goed hoor.’

Er viel een ongemakkelijke stilte tussen ons – iets wat er nooit geweest was. Ik wilde haar omhelzen, zeggen dat ik haar miste, dat ze altijd welkom was… Maar ze keek weg, drukte haar mandje tegen zich aan alsof ze zich moest beschermen.

‘Ik moet gaan,’ zei ze zachtjes en liep haastig weg.

Die avond huilde ik voor het eerst sinds jaren om iemand anders dan Henk of mijn kinderen. Het voelde alsof ik niet alleen mijn schoondochter kwijt was, maar ook een deel van mezelf.

De maanden verstreken. Tom vond langzaam zijn draai weer; hij kreeg een nieuwe baan bij een IT-bedrijf in Amersfoort en begon voorzichtig te daten met iemand anders – een vrolijke vrouw genaamd Anouk die me vriendelijk groette maar nooit echt dichtbij kwam.

Lotte zei weinig over alles wat er gebeurd was. Zij had nooit echt een band gehad met Sophie en vond het allemaal ‘gedoe’. Maar ik kon het niet loslaten.

Op een avond zat ik met Henk aan tafel, de stilte tussen ons zwaar van onuitgesproken woorden.

‘Je moet haar laten gaan, Marjan,’ zei hij uiteindelijk zachtjes.

‘Maar waarom voelt het dan alsof ik gefaald heb?’ snikte ik.

Henk pakte mijn hand vast. ‘Omdat je van haar hield als je eigen dochter.’

Soms denk ik terug aan die eerste jaren met Sophie – hoe we samen taarten bakten voor Tom’s verjaardag, hoe ze me hielp toen mijn moeder overleed, hoe we samen konden lachen om de kleinste dingen.

Nu is alles anders. Soms zie ik haar fietsen door de stad, haar haren wapperend in de wind, en vraag ik me af of ze ooit nog aan mij denkt.

Hebben jullie ooit iemand verloren die geen bloedverwant was, maar wel als familie voelde? Hoe laat je zoiets los? Of moet je blijven hopen op een teken van verzoening?