Mijn vader eist mijn hulp, ondanks alles wat er tussen ons is gebeurd

‘Je komt nu, Martijn. Ik ben je vader, je hebt een plicht.’ Zijn stem klinkt schor aan de andere kant van de lijn, maar zijn toon is onverminderd hard. Ik staar naar het scherm van mijn telefoon, de regen tikt tegen het raam. Mijn hart bonkt in mijn borstkas. Mijn vader, Willem, heeft nooit gevraagd. Hij heeft altijd geëist. En nu, nu hij oud en alleen is, verwacht hij dat ik alles laat vallen om hem te helpen. Alsof de jaren van kille blikken, harde woorden en het ontbreken van een simpel ‘ik hou van je’ niet bestaan hebben.

‘Pap, ik heb het druk. Ik kan niet zomaar—’

‘Je komt. Punt. Ik heb je nodig. Je moeder zou zich omdraaien in haar graf als ze wist hoe je me nu behandelt.’

Die zin. Altijd weer die zin. Mijn moeder, die altijd probeerde te bemiddelen, die haar liefde als een deken om me heen sloeg als hij weer eens uitviel. Ze is al tien jaar dood, maar haar naam wordt nog steeds als wapen gebruikt. Ik voel de woede opborrelen, maar ik slik het in. ‘Ik kom eraan,’ zeg ik uiteindelijk, en ik haat mezelf om mijn zwakte.

De rit naar zijn flat in Amersfoort voelt als een reis terug in de tijd. Elke straat, elk stoplicht, roept herinneringen op aan een jeugd vol spanning. Mijn vader was een man van principes, zei hij altijd. Maar zijn principes waren regels die niet te breken waren, en liefde was een luxe die hij zich niet kon veroorloven. ‘Een echte man huilt niet,’ zei hij als ik als kind verdrietig was. ‘Je moet sterk zijn, Martijn. Niemand geeft om zwakke mensen.’

Ik parkeer de auto en loop het trappenhuis in. De geur van oud tapijt en sigarettenrook hangt in de lucht. Bovenaan de trap staat hij al te wachten, zijn schouders gebogen, zijn blik streng. ‘Je bent laat,’ zegt hij zonder begroeting.

‘Het verkeer was druk,’ mompel ik. Ik wil niet weer in discussie. Hij draait zich om en strompelt naar binnen. Zijn flat is klein, rommelig. Overal stapels kranten, lege koffiekopjes, een half opgegeten boterham op het aanrecht. ‘De lamp in de gang is kapot. Maak het even,’ zegt hij, alsof het de normaalste zaak van de wereld is.

Ik pak een stoel, draai de lamp los en vervang het peertje. Mijn handen trillen. Niet van angst, maar van ingehouden woede. Waarom doe ik dit? Waarom blijf ik komen, terwijl hij me nooit iets heeft gegeven behalve kritiek?

‘Martijn, kun je ook even boodschappen doen? Ik heb geen melk meer. En neem wat van die koekjes mee die je moeder altijd haalde.’

‘Pap, ik ben geen kind meer. Je kunt het ook vragen in plaats van bevelen.’

Hij kijkt me aan, zijn ogen waterig. ‘Ik ben oud. Je begrijpt het niet. Je weet niet hoe het is om alles te verliezen.’

‘Misschien niet,’ zeg ik zacht. ‘Maar ik weet wel hoe het is om nooit iets te krijgen.’

Hij zwijgt. Even denk ik dat hij iets gaat zeggen, iets wat lijkt op spijt of begrip. Maar hij draait zich om en begint te mopperen over de televisie die het niet doet. Ik voel me leeg. Alsof ik een rol speel in een toneelstuk waar ik niet voor gekozen heb.

Na de boodschappen en het repareren van de tv zit ik tegenover hem aan de keukentafel. Hij drinkt zijn koffie, ik staar naar mijn handen. ‘Waarom ben je zo geworden, pap?’ vraag ik plotseling. Het floept eruit voordat ik het kan tegenhouden.

Hij kijkt op, verrast. ‘Wat bedoel je?’

‘Waarom heb je me nooit gewoon kunnen zeggen dat je van me houdt? Waarom moest alles altijd zo hard?’

Hij zucht diep, zijn handen trillen. ‘Mijn vader was nog erger. Hij sloeg me als ik niet luisterde. Ik heb geprobeerd het anders te doen, maar misschien ben ik daar niet in geslaagd.’

Het is de eerste keer dat hij iets toegeeft. Maar het klinkt niet als een excuus, meer als een verklaring. ‘Je hebt me nooit gevraagd hoe het met me ging. Nooit gevraagd wat ik voelde. Je was er gewoon niet.’

Hij kijkt weg. ‘Ik ben je vader. Dat moet genoeg zijn.’

‘Is dat zo?’ Mijn stem breekt. ‘Is het genoeg om alleen maar vader te zijn? Of moet je ook laten zien dat je om iemand geeft?’

Hij zegt niets. De stilte tussen ons is oorverdovend. Ik voel tranen prikken achter mijn ogen, maar ik vecht ze weg. Hij zou het toch niet begrijpen.

‘Je moeder zou willen dat we het goed maken,’ zegt hij dan zachtjes.

‘Misschien. Maar soms weet ik niet of ik dat kan. Je hebt me zoveel pijn gedaan, pap.’

Hij knikt, langzaam. ‘Ik weet het. Maar ik ben oud, Martijn. Ik heb niemand meer.’

En daar is het weer. Zijn eenzaamheid als argument, zijn ouderdom als rechtvaardiging. Alsof alles wat er is gebeurd nu niet meer telt, omdat hij hulp nodig heeft. Ik weet niet wat ik moet zeggen. Ik voel me verscheurd tussen plicht en verlangen naar erkenning.

De weken daarna blijf ik komen. Ik doe zijn boodschappen, repareer zijn lekkende kraan, luister naar zijn eindeloze verhalen over vroeger. Soms denk ik dat hij probeert te veranderen, maar dan snauwt hij weer iets en is het alsof we terug bij af zijn. Mijn zus, Marieke, belt af en toe. ‘Waarom doe je het nog, Martijn? Hij heeft ons nooit iets gegeven. Je hoeft dit niet te doen.’

‘Misschien hoop ik dat hij ooit zegt dat hij trots op me is,’ antwoord ik. Maar diep vanbinnen weet ik dat dat moment misschien nooit komt.

Op een avond, als ik de deur uit wil gaan, roept hij me terug. ‘Martijn?’

‘Ja, pap?’

Hij kijkt me aan, zijn ogen glanzen. ‘Bedankt dat je er bent.’

Het is niet veel. Geen excuses, geen grote woorden. Maar het is meer dan ik ooit heb gekregen. Ik knik, voel een brok in mijn keel. ‘Graag gedaan, pap.’

Op weg naar huis denk ik aan alles wat er is gebeurd. Aan de pijn, de teleurstelling, maar ook aan de kleine stapjes die we nu zetten. Kan ik hem ooit echt vergeven? Of blijf ik altijd verlangen naar iets wat hij niet kan geven?

Hebben we als kinderen de plicht om voor onze ouders te zorgen, zelfs als ze ons nooit liefde hebben gegeven? Of mogen we ook voor onszelf kiezen? Wat zouden jullie doen in mijn plaats?