Mijn dochter kwam terug na haar scheiding. Ik dacht dat ik hielp – tot ik besefte dat ik de oppas, kok en sponsor was geworden.

‘Mam, kun je Hanne straks ophalen van de opvang? Ik moet langer werken.’

De woorden van mijn dochter Marta galmen nog na terwijl ik de afwas doe. Het is half acht ’s ochtends, en de geur van verse koffie mengt zich met het scherpe gevoel van onrust in mijn buik. Dit is niet het leven dat ik me had voorgesteld toen ik vorig jaar met pensioen ging. Ik had gedacht aan rustige ochtenden, een boek op schoot, misschien een fietstochtje langs de Vecht. Maar sinds Marta na haar scheiding weer bij mij is ingetrokken, samen met mijn driejarige kleindochter Hanne, lijkt mijn huis niet langer van mij te zijn.

‘Natuurlijk, lieverd,’ antwoord ik automatisch, terwijl ik haar haastige blik probeer te vangen. Ze kijkt me nauwelijks aan. Haar ogen zijn dof, haar schouders hangen. Ik weet dat ze het zwaar heeft – haar man heeft haar verlaten voor een jongere vrouw uit zijn volleybalteam. De pijn van verraad is nog vers. Maar ergens diep vanbinnen voel ik een steek van frustratie. Hoe lang kan ik dit volhouden?

De eerste weken na haar terugkomst voelde ik me nodig. Ik was er voor haar, kookte haar lievelingskostje – stamppot andijvie met spekjes – en wiegde Hanne in slaap als Marta huilend op bed lag. Maar nu, maanden later, lijkt het alsof ik niet meer haar moeder ben, maar haar huishoudster. Mijn dagen bestaan uit wassen draaien, boterhammen smeren, speelgoed opruimen en eindeloze ritjes naar de opvang.

‘Mam, waar zijn mijn sleutels?’ roept Marta vanuit de gang.

‘Op het kastje bij de deur!’ roep ik terug. Ik hoor haar zuchten als ze ze vindt. ‘Dank je,’ mompelt ze, en weg is ze alweer.

Hanne komt slaperig de keuken in gesloft. Haar blonde haren staan alle kanten op. ‘Oma, mag ik chocomel?’

‘Natuurlijk, meisje,’ zeg ik zacht. Terwijl ik het pak uit de koelkast haal, kijk ik naar haar kleine gezichtje. Ze lijkt zoveel op Marta toen ze klein was – dezelfde grote blauwe ogen, dezelfde frons als ze zich concentreert. Mijn hart smelt even. Voor Hanne doe ik alles.

Maar toch…

Later die ochtend zit ik aan tafel met mijn vriendin Els. Ze is net als ik met pensioen en geniet zichtbaar van haar vrijheid.

‘Je moet grenzen stellen, Anja,’ zegt ze streng. ‘Dit kan zo niet eindeloos doorgaan.’

Ik zucht. ‘Ze heeft me nodig, Els. Ze is alles kwijtgeraakt.’

Els pakt mijn hand vast. ‘Maar jij raakt jezelf kwijt.’

Die woorden blijven hangen als een mist in mijn hoofd.

’s Middags sta ik weer bij de opvang. Hanne rent op me af en slaat haar armpjes om mijn benen.

‘Oma! Heb je koekjes?’

Ik lach en knik. Natuurlijk heb ik koekjes – altijd koekjes in mijn tas sinds zij hier woont.

Thuisgekomen tref ik Marta op de bank met haar laptop op schoot.

‘Heb je boodschappen gedaan?’ vraagt ze zonder op te kijken.

‘Ja,’ antwoord ik kortaf.

‘Kun je straks even kijken naar die blauwe envelop? Ik snap er niks van.’

Ik knik weer. Het is alsof mijn leven uit knikken bestaat.

’s Avonds lig ik wakker in bed. De stilte in huis voelt zwaar. Ik denk aan vroeger – hoe Marta als puber tegen me schreeuwde dat ze nooit zoals ik wilde worden. Hoe ze na haar studie naar Utrecht verhuisde en alleen nog op verjaardagen langskwam. En nu is ze hier weer, maar niet als dochter – meer als huisgenoot die alles vanzelfsprekend vindt.

De volgende ochtend barst de bom.

‘Mam, waarom is mijn blouse niet gestreken?’ Marta staat in de deuropening van mijn slaapkamer, haar gezicht rood van woede.

‘Omdat ik geen huishoudster ben,’ zeg ik zacht maar beslist.

Ze kijkt me aan alsof ze me voor het eerst ziet.

‘Wat bedoel je?’

Ik voel hoe jaren van opgekropte frustratie naar boven borrelen.

‘Ik wil je helpen, echt waar. Maar dit… dit is niet eerlijk tegenover mij. Ik ben geen oppas die altijd klaarstaat. Ik ben je moeder, geen dienstmeisje.’

Marta’s lip begint te trillen. ‘Dus je wilt dat we weggaan?’

‘Nee,’ zeg ik snel. ‘Maar ik wil wel dat we afspraken maken. Dat jij ook je deel doet in huis. En dat je begrijpt dat ik soms tijd voor mezelf nodig heb.’

Er valt een lange stilte.

‘Ik weet niet of ik dat kan,’ fluistert ze uiteindelijk.

‘Je moet het proberen,’ zeg ik zacht.

Die dag verandert er iets tussen ons. Het is geen magische oplossing – Marta blijft worstelen met haar verdriet en onzekerheid, en soms vervalt ze weer in oude patronen. Maar langzaam leren we opnieuw samenleven. We maken een schema: wie kookt wanneer, wie haalt Hanne op, wie doet de boodschappen.

Soms voel ik me schuldig als ik een middag voor mezelf neem – een wandeling door het park of een uurtje lezen in stilte. Maar dan denk ik aan Els’ woorden: ‘Jij raakt jezelf kwijt.’

Op een avond zitten we samen op de bank, Hanne slaapt al.

‘Dank je, mam,’ zegt Marta plotseling zacht.

Ik kijk haar aan en zie voor het eerst sinds maanden iets van de oude Marta terug – die sterke jonge vrouw die ooit vol dromen dit huis verliet.

‘We redden het wel,’ fluister ik terug.

En toch vraag ik me af: hoeveel kan een moeder geven zonder zichzelf te verliezen? Waar ligt de grens tussen helpen en jezelf wegcijferen? Misschien weten jullie het antwoord…