Mijn broer is 43, ongetrouwd, en ik geef onze moeder de schuld: een familiegeheim dat nooit besproken mocht worden
‘Waarom bel je Bas niet gewoon even? Je weet hoe stil hij het heeft tegenwoordig.’ Mijn moeders stem trilt aan de andere kant van de lijn. Ik staar naar het scherm van mijn telefoon, mijn vinger zweeft boven de rode knop. ‘Mam, Bas is 43. Hij is volwassen. Misschien wil hij gewoon even rust.’
‘Rust?’ Ze snuift. ‘Rust heeft hij genoeg gehad. Hij heeft niemand. Geen vrouw, geen kinderen…’
Ik slik. Dit gesprek voeren we elke week. Soms denk ik dat ze het expres doet, alsof ze wil dat ik toegeef dat het allemaal zijn eigen schuld is. Maar ik weet wel beter. Ik weet wat er vroeger is gebeurd, wat er nog steeds tussen ons in hangt als een mist die nooit optrekt.
Mijn broer Bas is tien jaar ouder dan ik. Toen ik klein was, keek ik tegen hem op zoals kleine zusjes dat doen: hij was mijn held, mijn beschermer. Maar naarmate ik ouder werd, zag ik de barsten in zijn harnas. Hoe hij zich steeds meer terugtrok, hoe hij nooit vrienden mee naar huis nam, hoe hij altijd alles deed om onze moeder tevreden te houden.
‘Weet je nog,’ begin ik voorzichtig, ‘hoe Bas vroeger altijd thuis moest zijn voor het eten? Zelfs als hij met voetbaltraining was, moest hij zich haasten.’
Mijn moeder zwijgt even. ‘Dat was toch normaal? We aten altijd samen.’
‘Maar mam…’ Ik voel de frustratie opborrelen. ‘Hij mocht nooit blijven slapen bij vrienden. Jij wilde altijd weten waar hij was, met wie…’
‘Ik was gewoon bezorgd! Je weet hoe jongens zijn…’
‘Nee mam,’ zeg ik zacht, ‘je was meer dan bezorgd. Je hield hem vast. Je liet hem nooit los.’
Ze zucht diep. ‘Je begrijpt het niet.’
Misschien begrijp ik het inderdaad niet helemaal. Maar ik herinner me de avonden dat Bas op zijn kamer zat, de deur dicht, muziek zachtjes aan. Hoe hij nooit uitging, nooit meisjes meenam. Hoe hij altijd zei: ‘Mam vindt het niet leuk als ik laat thuis ben.’ En als hij dan toch een keer laat was, stond ze hem op te wachten in haar ochtendjas, armen over elkaar.
Toen Bas twintig werd, kreeg hij een vriendin: Marieke uit zijn studiejaar. Ze was vrolijk en spontaan, precies wat Bas nodig had. Maar mijn moeder vond haar te luidruchtig, te aanwezig. ‘Ze past niet bij ons,’ zei ze na het eerste etentje.
Ik zie nog voor me hoe Bas die avond thuiskwam, zijn schouders opgetrokken tot aan zijn oren. ‘Mam vindt haar niet aardig,’ zei hij zachtjes tegen mij toen we samen afwas deden.
‘Wat maakt dat uit?’ vroeg ik.
Hij haalde zijn schouders op. ‘Alles.’
Na drie maanden maakte Marieke het uit. ‘Je moeder is altijd bij ons,’ zei ze tegen Bas in de gang, haar jas al aan. ‘Ik voel me nooit welkom.’
Bas zei niets terug. Hij keek alleen naar zijn schoenen.
Het was niet de laatste keer dat dit gebeurde. Elke keer als Bas iemand leerde kennen, vond mijn moeder wel iets om over te klagen: te druk, te stil, te ambitieus, te weinig ambitie… Het leek wel alsof niemand goed genoeg was voor haar zoon.
Toen ik zelf ging studeren in Utrecht en later ging samenwonen met mijn vriend Jeroen, merkte ik pas echt het verschil. Mijn moeder belde me dagelijks in het begin, maar na een paar maanden liet ze los. Bij Bas bleef ze trekken en duwen.
‘Waarom ga je niet eens daten?’ vroeg ik hem een paar jaar geleden tijdens een wandeling langs de Vecht.
Hij haalde zijn schouders op. ‘Waarvoor? Mam heeft me nodig.’
‘Maar jij dan?’
Hij glimlachte flauwtjes. ‘Ik red me wel.’
Maar dat deed hij niet. Na de dood van onze vader – alweer acht jaar geleden – werd Bas nog meer de man des huizes. Hij deed boodschappen voor mam, repareerde alles wat kapot ging en kwam elke zondag eten.
Toen ik vorig jaar voorstelde om met z’n allen kerst te vieren bij mij thuis – Jeroen en ik hadden net een huis gekocht in Amersfoort – keek mijn moeder me aan alsof ik haar had verraden.
‘Kerst hoort hier,’ zei ze fel.
‘Maar mam…’
‘Nee! Jullie vader zou dit nooit gewild hebben.’
Bas zei niets. Hij keek naar zijn bord en prikte in zijn aardappelen.
Na het eten bleef ik hangen in de keuken terwijl Bas afwaste.
‘Waarom zeg je niks?’ vroeg ik zachtjes.
Hij keek me aan met die droevige ogen van hem. ‘Het heeft geen zin.’
‘Je bent 42, Bas! Je mag best eens voor jezelf kiezen.’
Hij glimlachte weer dat flauwe glimlachje en schudde zijn hoofd.
Soms vraag ik me af of Bas ooit echt gelukkig is geweest. Of hij ooit heeft gevoeld dat hij vrij was om zijn eigen keuzes te maken. Of dat onze moeder hem zo stevig heeft vastgehouden dat hij nooit heeft geleerd om los te laten.
Nu is hij 43. Ongetrouwd, geen kinderen, geen vaste relatie. Mijn moeder doet alsof ze zich zorgen maakt om zijn eenzaamheid, maar als ik haar confronteer met haar rol hierin, draait ze zich weg.
‘Je begrijpt het niet,’ zegt ze dan weer.
Misschien begrijp ik het inderdaad niet helemaal – of misschien wil zij het niet begrijpen.
Afgelopen week belde Bas onverwacht op een dinsdagavond.
‘Hoi zus,’ klonk zijn stem aarzelend.
‘Bas! Alles goed?’
Er viel een stilte aan de andere kant van de lijn.
‘Ik ben moe,’ zei hij uiteindelijk zachtjes.
‘Moe van wat?’
‘Van alles… Van altijd maar rekening houden met mam. Met iedereen eigenlijk.’
Ik voelde tranen prikken achter mijn ogen.
‘Kom dit weekend bij ons eten,’ stelde ik voor. ‘Gewoon jij en wij. Geen verplichtingen.’
Hij aarzelde even en zei toen: ‘Misschien wel fijn.’
Toen ik ophing, dacht ik aan vroeger – aan hoe alles anders had kunnen lopen als onze moeder hem wat meer had losgelaten. Als ze had gezien dat liefde ook betekent dat je iemand leert vliegen in plaats van hem vast te houden tot hij stikt.
De zaterdag daarop kwam Bas inderdaad eten. Hij lachte meer dan ik hem in jaren had zien doen. Jeroen maakte grappen over voetbal en Bas lachte hardop mee.
Na afloop bleef hij nog even hangen terwijl Jeroen de kinderen naar bed bracht.
‘Weet je,’ zei hij zachtjes tegen mij, ‘soms denk ik dat ik iets gemist heb… Maar misschien is dit gewoon wie ik ben geworden.’
Ik pakte zijn hand vast over de tafel.
‘Je mag nog steeds kiezen voor jezelf, Bas.’
Hij knikte langzaam.
Nu zit ik hier en schrijf dit verhaal omdat ik niet weet hoe ik verder moet met deze familiegeschiedenis die nooit uitgesproken mag worden. Is het ooit te laat om jezelf los te maken van je verleden? Of blijven we altijd gevangen in de verwachtingen van onze ouders?