‘Mam, waarom kun je niet meer geven?’ – Mijn verhaal als gepensioneerde lerares over schaamte, familieconflicten en onbegrip
‘Mam, waarom kun je niet meer geven?’ De woorden van mijn dochter, Sophie, galmen nog steeds na in mijn hoofd. Het was een regenachtige donderdagavond in ons kleine appartement in Amersfoort. Ik stond in de keuken, mijn handen trilden terwijl ik de aardappelen schilde. Sophie zat aan tafel, haar blik strak op haar telefoon gericht. Ze zuchtte diep, gooide haar telefoon neer en keek me aan met een mengeling van frustratie en iets wat ik niet meteen kon plaatsen – schaamte.
‘Iedereen in mijn klas krijgt nieuwe sneakers, mam. Of ze gaan met hun ouders naar Parijs in de herfstvakantie. Waarom kunnen wij dat nooit? Waarom kun jij niet gewoon… meer geven?’
Ik voelde hoe mijn keel dichtkneep. Mijn vingers gleden bijna uit over de aardappel. ‘Sophie, je weet toch dat ik mijn best doe? Ik heb mijn hele leven voor de klas gestaan, maar nu met mijn pensioen… Het is gewoon niet makkelijk. We moeten het doen met wat we hebben.’
Ze draaide zich om, haar schouders gespannen. ‘Ja, dat zeg je altijd. Maar het is gewoon gênant. Iedereen lacht me uit omdat ik altijd tweedehands kleren draag. En als ik zeg dat jij lerares bent geweest, dan kijken ze me aan alsof ik uit een ander tijdperk kom. Waarom ben je niet gewoon… succesvoller?’
Die laatste woorden staken als messen. Ik wilde iets zeggen, haar uitleggen hoe hard ik altijd gewerkt heb, hoe ik haar alles heb willen geven wat ik kon. Maar de woorden bleven steken. In plaats daarvan draaide ik me om en probeerde de tranen weg te slikken.
Die nacht lag ik wakker. Ik hoorde Sophie zachtjes huilen in haar kamer. Mijn hart brak. Ik dacht aan de jaren dat ik haar als baby in mijn armen hield, haar voorlas uit oude boeken, haar meenam naar het park omdat we geen geld hadden voor pretparken of verre vakanties. Ik dacht aan de verjaardagen waarop ik zelf taarten bakte omdat een taart van de bakker te duur was. Aan de tweedehands fiets die ik voor haar kocht, die ik met liefde had opgeknapt. Was dat allemaal niet genoeg geweest?
De volgende ochtend probeerde ik het gesprek opnieuw aan te gaan. ‘Sophie, lieverd, ik weet dat het niet makkelijk is. Maar weet je, vroeger…’
Ze kapte me af. ‘Vroeger, vroeger! Mam, het is nu! Je snapt het gewoon niet. Iedereen heeft alles, behalve ik. En dat is jouw schuld.’
Ik voelde me kleiner worden. Alsof ik faalde, niet alleen als moeder, maar als mens. Ik dacht aan mijn collega’s van vroeger, aan de kinderen die ik heb geholpen, aan de complimenten die ik kreeg van ouders. Maar mijn eigen dochter keek me aan met teleurstelling en schaamte.
Op een dag kwam mijn zus, Marijke, op bezoek. Ze zag meteen dat er iets niet klopte. ‘Wat is er, Anna?’ vroeg ze zachtjes terwijl ze haar jas ophing.
Ik barstte in tranen uit. ‘Sophie schaamt zich voor mij. Ze vindt dat ik haar niet genoeg geef. Ze wil meer, meer, meer… Maar ik kan niet meer geven dan ik heb. Ik voel me zo machteloos.’
Marijke sloeg een arm om me heen. ‘Kind, je hebt haar alles gegeven wat je kon. Maar kinderen zien dat soms niet. Ze vergelijken zich met anderen. Dat is deze tijd. Alles draait om geld en spullen.’
‘Maar waarom doet het dan zo’n pijn?’ vroeg ik snikkend.
‘Omdat je van haar houdt,’ zei Marijke. ‘En omdat je wilt dat ze gelukkig is. Maar geluk zit niet in spullen, Anna. Dat weet jij. Maar zij moet dat nog leren.’
Die avond probeerde ik met Sophie te praten. Ik ging op haar bed zitten, terwijl zij met haar rug naar me toe lag. ‘Sophie, ik weet dat je het moeilijk hebt. Maar weet je, ik ben trots op wie jij bent. Niet om wat je hebt, maar om wie je bent. En ik hoop dat je dat ooit ook zult zijn.’
Ze zei niets. Maar ik zag haar schouders schokken. Ik wilde haar aanraken, maar hield me in. Misschien moest ik haar gewoon de tijd geven.
De dagen gingen voorbij. Sophie werd stiller. Ze kwam later thuis, at snel haar eten op en verdween naar haar kamer. Ik voelde de afstand groeien. Op een avond hoorde ik haar praten aan de telefoon. ‘Ja, mijn moeder is gewoon… anders. Ze snapt het niet. Ze is oud en heeft geen geld. Soms schaam ik me gewoon voor haar.’
Ik stond in de gang, mijn hart bonkte in mijn borst. Ik wilde naar binnen stormen, haar vertellen hoe zeer haar woorden me pijn deden. Maar ik bleef staan, verstijfd van verdriet.
Op een zaterdagmiddag, toen de zon eindelijk weer eens scheen, besloot ik een wandeling te maken. Ik liep door het park waar ik vroeger met Sophie speelde. Ik zag jonge moeders met hun kinderen, lachend, spelend. Ik vroeg me af of zij zich ook ooit zo machteloos voelden. Of hun kinderen hen ook ooit zouden verwijten dat ze niet genoeg gaven.
Toen ik thuiskwam, zat Sophie aan tafel. Haar ogen rood van het huilen. Ze keek op toen ik binnenkwam. ‘Mam… het spijt me. Ik was gemeen. Maar het is gewoon zo moeilijk. Iedereen heeft zoveel, en ik… ik voel me altijd minder.’
Ik ging tegenover haar zitten. ‘Lieverd, ik snap het. Echt. Maar weet je, ik heb altijd geprobeerd je te geven wat ik kon. Misschien niet in spullen, maar wel in liefde. En ik hoop dat dat ooit genoeg zal zijn.’
Ze knikte, tranen biggelden over haar wangen. ‘Ik weet het, mam. Maar soms… soms wil ik gewoon even normaal zijn. Niet altijd die uitzondering.’
Ik pakte haar hand. ‘Je bent niet minder, Sophie. Je bent bijzonder. En misschien zie je dat nu nog niet, maar ooit wel.’
We zaten daar, hand in hand, terwijl de zon langzaam onderging. Voor het eerst in weken voelde ik een sprankje hoop. Misschien zou het ooit goedkomen. Misschien zou ze ooit begrijpen dat liefde niet in geld te meten is.
Maar soms, als ik ’s nachts wakker lig, vraag ik me af: Hoeveel liefde is genoeg? En wanneer beseffen onze kinderen dat we, ondanks alles, altijd ons best hebben gedaan?
Wat denken jullie? Is liefde echt te koop, of zijn we dat alleen maar gaan geloven?