“Mam, je hebt een plek gemist,” riep mijn schoondochter vanuit de slaapkamer. Mijn handen trilden terwijl ik de vloer boende.

“Mam, je hebt een plek gemist!” De stem van Sophie sneed als een mes door de stilte van het huis. Ik keek op van de emmer sop en voelde mijn rug protesteren. Mijn handen waren rood en ruw van het schrobben, maar ik wist dat als ik nu niet reageerde, ze het straks weer zou zeggen.

“Ja, Sophie,” antwoordde ik zachtjes, hopend dat mijn stem niet te veel trilde. Ik hoorde haar nagels tikken op haar telefoon, haar gelakte vingers glanzend in het licht van de slaapkamer. John was alweer vroeg vertrokken naar zijn werk in Utrecht. Hij had niets gezegd vanochtend, alleen een vluchtige kus op mijn wang en een haastig “Succes vandaag, mam.”

Sinds ik hier woon, voel ik me steeds kleiner worden. Na het overlijden van mijn man, Pieter, vorig jaar, was het idee om bij John en Sophie in te trekken logisch. Mijn huis in Amersfoort was te groot, te stil. John zei: “Mam, kom bij ons wonen. We hebben ruimte genoeg.” Maar ruimte is meer dan vier muren en een dak.

De eerste weken waren nog vriendelijk. Sophie bakte appeltaart en liet me foto’s zien van haar jeugd in Haarlem. We lachten om haar verhalen over haar strenge moeder en haar eerste baantje bij de HEMA. Maar langzaam veranderde er iets. Kleine opmerkingen over hoe ik de was vouwde, of dat ik de vaatwasser niet ‘handig’ inruimde. “Je bedoelt het goed, Linda,” zei ze dan met een glimlach die niet haar ogen bereikte.

Vandaag was het erger dan anders. Sophie had haar vriendinnen uitgenodigd voor een ‘selfcare-dagje’. Terwijl zij boven hun nagels lakten en maskertjes op hun gezicht smeerden, stond ik beneden te schrobben. De geur van aceton mengde zich met die van schoonmaakmiddel. Ik hoorde hun gelach door het plafond heen.

“Linda, kun je straks ook even de ramen doen?” riep Sophie zonder op te kijken van haar telefoon toen ik met de dweil langs de trap kwam.

Ik knikte zwijgend. Mijn knieën deden pijn en mijn hoofd bonkte. Ik dacht aan Pieter, hoe hij altijd zei: “Laat je niet klein krijgen, Lin.” Maar wat moest ik? Terug naar dat lege huis? Of hier blijven en mezelf verliezen?

’s Avonds kwam John thuis. Hij rookte een sigaret in de tuin en keek me nauwelijks aan toen ik hem vroeg hoe zijn dag was geweest.

“Druk,” zei hij kortaf. “Sophie zegt dat je vandaag niet alles hebt gedaan wat ze vroeg.”

Ik voelde tranen branden achter mijn ogen, maar slikte ze weg. “Ik heb mijn best gedaan, John.”

Hij zuchtte en liep naar binnen zonder iets te zeggen.

Die nacht lag ik wakker in het kleine logeerkamertje. Ik hoorde Sophie lachen op de gang en John die iets mompelde. Mijn gedachten maalden. Was dit nu mijn leven? Een onzichtbare hulp in het huis van mijn eigen zoon?

De volgende ochtend stond ik vroeg op om ontbijt te maken. Sophie kwam binnen in haar satijnen ochtendjas.

“Je hoeft geen moeite te doen hoor,” zei ze met een scheve glimlach. “John en ik ontbijten toch liever samen.”

Ik voelde me overbodig, alsof ik lucht was.

Later die dag kwam mijn kleindochter Emma langs na school. Ze rende naar me toe en gaf me een knuffel.

“Oma, mag ik straks met jou koekjes bakken?”

Mijn hart smolt even. “Natuurlijk lieverd.”

Sophie kwam direct tussenbeide: “Emma, je hebt huiswerk.”

Emma keek teleurgesteld naar de grond.

“Misschien morgen,” fluisterde ik.

’s Avonds hoorde ik John en Sophie fluisteren in hun slaapkamer. Mijn naam viel een paar keer. Ik voelde me als een indringer in hun leven, terwijl ik alleen maar wilde helpen.

Een week later barstte de bom. Sophie stond in de keuken met haar armen over elkaar.

“Linda, dit werkt zo niet meer. Je bent hier te veel aanwezig. Het is ons huis.”

John stond er zwijgend naast.

Ik voelde hoe alles uit me wegstroomde. “Waar moet ik dan heen?” vroeg ik zachtjes.

Sophie haalde haar schouders op. “Misschien kun je toch weer naar je eigen huis? Of iets voor jezelf zoeken?”

John keek weg.

Ik pakte die avond mijn koffers. Emma huilde toen ze hoorde dat ik wegging.

“Oma, blijf alsjeblieft!”

Ik kneep haar handje zachtjes. “Soms moet je kiezen voor jezelf, lieverd.”

Nu zit ik weer in mijn oude huis in Amersfoort. Het is nog steeds stil, maar het is míjn stilte. Soms mis ik John en Emma verschrikkelijk. Maar elke keer als ik terugdenk aan die kille blikken en harde woorden, weet ik dat ik niet anders kon.

Was het laf om weg te gaan? Of juist moedig? Hoeveel moet je verdragen voordat je jezelf verliest? Wat zouden jullie doen als je in mijn schoenen stond?