‘Jij doet de hele dag niets’: Mijn strijd als moeder die niemand wil horen

‘Marloes, wat heb je vandaag eigenlijk gedaan?’

De stem van Jeroen klinkt door de keuken, scherp en ongeduldig. Ik sta met mijn rug naar hem toe, mijn handen trillend boven het aanrecht. De geur van opgewarmde stamppot hangt zwaar in de lucht. ‘Hetzelfde als altijd,’ antwoord ik zacht, hopend dat hij het niet hoort. Maar natuurlijk hoort hij het.

‘Dus… niets?’ Hij zucht, pakt een biertje uit de koelkast en ploft op de bank. ‘Het kind slaapt toch alleen maar en eet. Hoe kun je daar nou zo moe van zijn?’

Ik voel hoe de tranen achter mijn ogen prikken. Mijn dochtertje, Lotte, ligt boven in haar wiegje. Haar ademhaling is het enige wat me nog geruststelt. Maar zelfs dat is niet genoeg om het gevoel van falen weg te nemen. Ik ben moe. Zo verschrikkelijk moe. Niet alleen fysiek, maar vooral mentaal. Elke dag lijkt een herhaling van dezelfde strijd: voeden, verschonen, wiegen, troosten, en ondertussen proberen mezelf niet te verliezen.

Jeroen begrijpt het niet. Hij werkt fulltime bij een IT-bedrijf in Utrecht en vindt dat ik het goed heb: thuis met de baby, geen baas die op mijn vingers kijkt, geen deadlines. Maar hij ziet niet dat ik elke nacht wakker lig, luisterend naar Lotte’s ademhaling, bang dat ze stopt met ademen. Hij ziet niet hoe ik mezelf verlies in de eindeloze stroom van luiers, spuugdoekjes en huilbuien.

‘Je moet gewoon wat relaxter worden,’ zegt hij vaak. ‘Andere vrouwen doen dit ook gewoon.’

Maar andere vrouwen lijken het zoveel beter te doen. Op Instagram zie ik moeders die stralen naast hun baby’s, hun huizen brandschoon, hun haar perfect in model. Ik voel me schuldig omdat ik soms verlang naar stilte, naar even helemaal niets. Omdat ik soms denk: was dit het nou? Is dit moederschap?

Mijn moeder belt elke dag. ‘Hoe gaat het met Lotte? En met jou?’ vraagt ze dan. Maar als ik eerlijk ben en zeg dat ik moe ben, zegt ze: ‘Ach meisje, dat hoort erbij. Wij hadden het vroeger veel zwaarder.’

Ik voel me onzichtbaar. Alsof niemand ziet hoeveel moeite het kost om elke dag weer op te staan en door te gaan. Mijn vriendinnen zijn druk met hun eigen levens; sommigen hebben nog geen kinderen en begrijpen niet waarom ik zo weinig tijd heb of waarom ik nooit meer mee uit ga.

Op een avond barst ik uit elkaar. Lotte huilt al uren en niets helpt. Jeroen zit boven te gamen met zijn vrienden. Ik loop naar boven, klop op zijn deur en fluister: ‘Kun je me alsjeblieft helpen? Ik trek het niet meer.’

Hij kijkt geïrriteerd op van zijn scherm. ‘Marloes, ik heb ook recht op ontspanning na zo’n dag werken.’

Ik voel hoe iets in mij breekt.

De dagen daarna word ik stiller. Ik doe wat er moet gebeuren, maar ik ben er niet meer bij met mijn hoofd. Soms staar ik minutenlang uit het raam terwijl Lotte slaapt, mijn gedachten ver weg. Ik vraag me af of ik een slechte moeder ben omdat ik niet gelukkig ben met wat iedereen ‘het mooiste wat er is’ noemt.

Op een ochtend komt mijn schoonmoeder langs. Ze kijkt kritisch rond in huis en zegt: ‘Vroeger had ik drie kinderen en werkte ik er ook nog bij. Je moet gewoon wat beter plannen.’

Ik glimlach flauwtjes, maar vanbinnen schreeuw ik.

De huisarts zegt dat ik misschien een postnatale depressie heb. Hij raadt me aan om met iemand te praten, maar Jeroen vindt dat onzin. ‘Je moet gewoon wat meer slapen,’ zegt hij.

Op een dag besluit ik Lotte in de kinderwagen te leggen en naar het park te lopen. De zon schijnt fel, maar alles voelt grijs. Op een bankje zit een vrouw met een baby van ongeveer dezelfde leeftijd. Ze glimlacht naar me.

‘Moe?’ vraagt ze zacht.

Ik knik en voel de tranen over mijn wangen rollen.

‘Ik ook,’ zegt ze. ‘Iedereen doet alsof het makkelijk is, maar dat is het niet.’

We praten urenlang over slapeloze nachten, schuldgevoelens en partners die het niet begrijpen. Voor het eerst voel ik me gehoord.

Thuisgekomen vertel ik Jeroen over het gesprek. Hij haalt zijn schouders op.

‘Je moet je niet zo aanstellen,’ zegt hij.

Die nacht lig ik wakker naast hem in bed, luisterend naar zijn regelmatige ademhaling. Ik vraag me af of hij ooit zal begrijpen hoe alleen ik me voel.

De weken gaan voorbij en langzaam begin ik kleine dingen voor mezelf te doen: een boek lezen terwijl Lotte slaapt, een wandeling maken zonder schuldgevoel. Ik zoek contact met andere moeders uit de buurt en we spreken af in het park.

Langzaam groeit er iets van binnen: een stem die zegt dat ik goed genoeg ben zoals ik ben.

Maar de strijd blijft. Jeroen blijft vinden dat ik overdrijf, mijn schoonmoeder blijft kritisch en mijn moeder blijft zeggen dat het vroeger zwaarder was.

Soms fantaseer ik over weggaan – gewoon verdwijnen, even helemaal niets hoeven zijn behalve mezelf. Maar dan kijk ik naar Lotte’s gezichtje terwijl ze slaapt en weet ik dat ik blijf vechten.

Op een avond zit Jeroen weer te gamen en Lotte huilt onophoudelijk. Ik loop naar hem toe en zeg: ‘Jeroen, als jij nu niet helpt, weet ik niet hoe lang dit nog goed gaat.’

Hij kijkt me aan – voor het eerst echt – en ziet de wanhoop in mijn ogen.

‘Sorry,’ zegt hij zachtjes.

Het is geen oplossing, maar misschien een begin.

Soms vraag ik me af: hoeveel moeders voelen zich net zo alleen als ik? Wanneer gaan we eindelijk eerlijk praten over hoe zwaar moederschap kan zijn? Wie durft toe te geven dat liefde soms niet genoeg is om jezelf staande te houden?