‘Je dochter gaat niet mee naar het strand, maar ik heb toch geld nodig voor het uitje,’ zei oma. Wat doe je als familiebelangen botsen?

‘Je dochter gaat niet mee naar het strand, maar ik heb toch geld nodig voor het uitje,’ zegt mijn moeder terwijl ze haar koffiekopje neerzet. Haar stem klinkt vastberaden, bijna kil. Ik voel mijn wangen gloeien van ongeloof en frustratie.

‘Hoe bedoel je, mam?’ Mijn stem trilt. ‘Waarom zou ik betalen als Noor niet meegaat?’

Ze zucht diep, alsof ik een domme vraag stel. ‘Omdat ik alles al geregeld heb. De bungalow is geboekt, de boodschappen zijn gedaan. En je weet hoe duur alles tegenwoordig is. Het is niet eerlijk als alleen Mark en Sanne bijdragen.’

Mark is mijn broer. Zijn zoon, Daan, is de lieveling van mijn moeder. Alles draait altijd om hem. Noor, mijn dochter, is gevoelig, stil en houdt niet van drukte. Ze heeft me gesmeekt of ze deze keer thuis mocht blijven. ‘Mam, ik wil gewoon een weekendje rust. Geen zand tussen mijn tenen, geen geschreeuw.’

Ik snap haar zo goed. Maar nu zit ik hier, tegenover mijn moeder, die verwacht dat ik betaal voor een uitje waar mijn kind niet eens bij is.

‘Mam, luister nou eens,’ probeer ik rustig te blijven. ‘Noor wil niet mee. Ze heeft het echt geprobeerd vorig jaar, weet je nog? Ze kwam overstuur thuis omdat Daan haar uitlachte toen ze niet in zee durfde.’

Mijn moeder wuift het weg. ‘Ach, kinderen plagen elkaar nou eenmaal. Je moet haar niet zo beschermen.’

Ik voel de woede opborrelen. ‘Het gaat niet om beschermen, mam. Het gaat erom dat Noor zich niet welkom voelt als ze steeds wordt buitengesloten of uitgelachen.’

Ze kijkt me strak aan. ‘Dus jij betaalt niet?’

Ik slik. ‘Nee, mam. Niet als Noor niet meegaat.’

Het gesprek blijft hangen in de kamer als een zware mist. Mijn moeder staat op, pakt haar jas en zegt: ‘Ik had meer van je verwacht.’

De deur valt dicht en ik blijf achter met een knoop in mijn maag.

Die avond zit ik met Noor aan tafel. Ze prikt in haar aardappelpuree.

‘Gaat oma weer boos zijn?’ vraagt ze zacht.

Ik knik. ‘Misschien wel even. Maar dat is niet jouw schuld.’

Ze kijkt me aan met die grote blauwe ogen die zoveel vragen stellen zonder woorden.

‘Waarom mag Daan altijd alles?’

Ik weet het antwoord niet. Of misschien wil ik het niet weten.

De dagen erna voel ik de spanning groeien in de familie-appgroep. Mark stuurt een bericht: ‘Mam zegt dat jij niet wilt bijdragen aan het strandweekend. Klopt dat?’

Ik typ en wis mijn antwoord drie keer voordat ik uiteindelijk stuur: ‘Noor gaat niet mee, dus ik betaal deze keer niet mee.’

Sanne – Marks vrouw – reageert meteen: ‘Maar we hebben alles al geregeld! Dit is echt oneerlijk tegenover ons.’

Ik voel me schuldig en boos tegelijk. Waarom moet ik altijd de redelijke zijn? Waarom begrijpt niemand hoe Noor zich voelt?

’s Avonds bel ik mijn vader. Hij woont sinds hun scheiding alleen in een flat in Amersfoort.

‘Pap, wat moet ik doen? Mam zet me onder druk om te betalen voor iets waar Noor niet eens bij is.’

Hij zucht diep – hetzelfde geluid dat ik van mezelf herken als ik moe ben van alles.

‘Je moeder bedoelt het goed, maar ze ziet soms alleen wat ze zelf wil zien,’ zegt hij zachtjes. ‘Jij moet doen wat goed voelt voor jou en Noor.’

‘Maar nu ben ik weer de boeman.’

‘Dat ben je niet,’ zegt hij beslist. ‘Je beschermt je kind. Dat is wat telt.’

Toch knaagt het schuldgevoel aan me als een muis aan een korst brood.

Op vrijdagavond – de avond voor het strandweekend – belt mijn moeder weer aan. Noor zit boven met haar koptelefoon op.

‘Mag ik binnenkomen?’ vraagt ze voorzichtig.

Ik knik en zet thee.

‘Ik snap dat je boos bent,’ begint ze.

‘Ik ben niet boos,’ zeg ik zacht. ‘Ik ben verdrietig.’

Ze kijkt me aan en ineens lijkt ze ouder dan ooit.

‘Weet je,’ zegt ze na een stilte, ‘ik wilde gewoon iets leuks doen met mijn kleinkinderen. Maar misschien heb ik het verkeerd aangepakt.’

Ik voel tranen prikken achter mijn ogen.

‘Mam, Noor voelt zich vaak buitengesloten. Ze denkt dat je Daan leuker vindt.’

Mijn moeder kijkt weg.

‘Dat is niet waar,’ zegt ze zachtjes.

‘Maar zo voelt het wel voor haar.’

Ze knikt langzaam.

‘Misschien moet ik daar eens met haar over praten,’ zegt ze uiteindelijk.

We zitten samen in stilte aan de keukentafel, terwijl buiten de regen tegen het raam tikt.

De volgende ochtend vertrekken Mark, Sanne en Daan naar het strand met oma. Noor en ik blijven thuis; we bakken pannenkoeken en kijken oude fotoalbums door.

Na het weekend stuurt mijn moeder een foto van Daan op het strand met een grote glimlach. Geen woord over Noor.

Toch belt ze die avond op.

‘Mag ik volgende week langskomen om met Noor te praten?’ vraagt ze voorzichtig.

Ik glimlach door mijn tranen heen.

Misschien komt het ooit goed tussen ons allemaal. Maar soms vraag ik me af: waarom is eerlijkheid in families vaak zo ingewikkeld? Wat zouden jullie doen als je tussen je kind en je moeder moest kiezen?