“Ik hou van mijn zoon, maar ik verafschuw mijn dochter”: Het boemerangeffect van het leven

‘Waarom kun je niet gewoon normaal doen, Eva?’ Mijn stem galmt door de woonkamer terwijl ik mijn dochter aankijk. Ze staat daar, haar armen over elkaar, haar blik op de grond gericht. ‘Je broer heeft tenminste respect voor me. Waarom moet jij altijd zo moeilijk doen?’

Eva zegt niets. Ze bijt op haar lip en ik zie haar schouders trillen. Ik weet dat ik weer te hard ben geweest, maar het kan me niet schelen. Ik ben Victoria, en ik heb altijd gezegd waar het op staat. Mijn zoon, Daan, begrijpt dat. Hij is mijn trots, mijn alles. Maar Eva… zij lijkt alleen maar te bestaan om me tegen te werken.

‘Mam, misschien kun je…’ begint Eva zachtjes.

‘Misschien kun je wat?’ snauw ik. ‘Misschien kun je eindelijk eens luisteren in plaats van altijd in discussie te gaan?’

Ze draait zich om en loopt de trap op. Ik hoor haar deur dichtslaan. Daan komt net binnen van zijn werk bij de Albert Heijn. Hij kijkt me vragend aan, zijn blonde haar nog nat van de regen.

‘Wat is er gebeurd?’ vraagt hij.

‘Niks bijzonders,’ zeg ik. ‘Je zus weer.’

Daan zucht en loopt naar de keuken. Hij weet dat het geen zin heeft om zich ermee te bemoeien. Hij is altijd de vredestichter geweest, degene die me begrijpt. Soms denk ik dat hij de enige is die echt van me houdt.

Ik ben opgegroeid in een klein dorpje in Friesland, waar iedereen elkaar kende en roddels sneller rondgingen dan de wind over het IJsselmeer. Mijn moeder was streng, mijn vader afwezig. Misschien heb ik daarom geleerd om hard te zijn, om niet te veel te geven om wat anderen denken. Maar soms vraag ik me af of ik niet te ver ben gegaan.

Mijn man, Pieter, is vijf jaar geleden overleden aan een hartaanval. Sindsdien is alles veranderd. Het huis voelt leeg zonder hem, en ik merk dat mijn geduld steeds korter wordt. Vooral met Eva. Ze lijkt zo op mij als jong meisje: koppig, eigenwijs, altijd haar eigen mening. Maar waar ik vroeger bewondering voelde voor mensen die hun eigen weg gingen, irriteert het me nu mateloos bij haar.

‘Mam, wil je koffie?’ roept Daan vanuit de keuken.

‘Ja graag, lieverd.’

Hij zet een kopje voor me neer en gaat tegenover me zitten aan de eettafel. ‘Je moet niet zo streng zijn voor Eva,’ zegt hij voorzichtig.

‘Ze verdient het,’ zeg ik kortaf. ‘Ze doet nooit wat ik vraag.’

Daan kijkt me aan met die zachte blik van hem. ‘Misschien wil ze gewoon gehoord worden.’

Ik rol met mijn ogen. ‘Jij kiest altijd haar kant.’

‘Nee mam,’ zegt hij rustig. ‘Ik probeer alleen te begrijpen waarom jullie altijd ruzie hebben.’

Ik neem een slok koffie en kijk uit het raam naar de grijze lucht boven Amsterdam-Noord. Soms vraag ik me af hoe het zover heeft kunnen komen. Vroeger was Eva een vrolijk meisje dat altijd lachte en grapjes maakte. Maar naarmate ze ouder werd, veranderde er iets tussen ons. Misschien omdat ze niet wilde voldoen aan mijn verwachtingen. Misschien omdat ik haar nooit echt heb laten zien dat ik trots op haar ben.

De dagen gaan voorbij in een sleur van werken, boodschappen doen bij de Jumbo en avonden voor de tv met Daan. Eva zie ik nauwelijks nog; ze komt laat thuis van haar studie psychologie aan de UvA en verdwijnt meteen naar haar kamer.

Op een avond hoor ik haar zachtjes huilen achter haar deur. Ik sta even stil op de overloop, twijfel of ik moet aankloppen. Maar iets in mij houdt me tegen. In plaats daarvan loop ik naar beneden en zet de tv harder.

Een week later krijg ik een telefoontje van Eva’s mentor op de universiteit. Ze maakt zich zorgen: Eva komt haar afspraken niet na, levert opdrachten te laat in, lijkt afwezig tijdens colleges.

‘Is er thuis iets aan de hand?’ vraagt de mentor voorzichtig.

‘Nee hoor,’ lieg ik snel. ‘Ze is gewoon een beetje moe.’

Maar als ik ophang voel ik een knoop in mijn maag. Heb ik dit veroorzaakt? Ben ik degene die haar zo ongelukkig maakt?

Die avond probeer ik met Eva te praten als ze thuiskomt.

‘Eva, kunnen we even praten?’

Ze kijkt me aan met rode ogen en schudt haar hoofd. ‘Laat maar mam.’

‘Nee,’ zeg ik streng. ‘We moeten praten.’

Ze zucht diep en gaat met tegenzin aan tafel zitten.

‘Wat is er aan de hand?’ vraag ik.

Ze haalt haar schouders op. ‘Niks.’

‘Je mentor heeft gebeld,’ zeg ik zachtjes.

Haar ogen schieten vuur. ‘Waarom bemoei je je altijd overal mee? Kun je me niet gewoon met rust laten?’

Ik voel woede opborrelen maar probeer kalm te blijven. ‘Ik maak me zorgen om je.’

‘Dat geloof ik niet,’ zegt ze fel. ‘Je geeft alleen om Daan. Voor jou ben ik altijd het probleem geweest.’

Die woorden raken me harder dan ik wil toegeven. Ik wil iets zeggen, maar er komt niets uit.

Daan komt binnen en kijkt ons bezorgd aan. ‘Gaat het?’

Eva staat op en loopt naar boven zonder nog iets te zeggen.

De weken daarna wordt het alleen maar erger tussen ons. Eva is steeds vaker weg, slaapt soms bij vriendinnen of blijft nachtenlang weg zonder iets te laten weten. Daan probeert ons bij elkaar te brengen maar zonder succes.

Op een dag vind ik een briefje op tafel: ‘Mam, ik ga bij papa’s zus wonen tot na mijn tentamens. Ik trek het hier niet meer.’

Ik voel mijn benen trillen als ik het lees. Daan vindt me huilend in de keuken.

‘Mam…’ zegt hij zachtjes en slaat zijn armen om me heen.

Voor het eerst in jaren laat ik mijn tranen toe.

De dagen zonder Eva zijn leeg en stil. Daan probeert het huis gezellig te houden maar het lukt niet echt. Ik mis haar meer dan ik wil toegeven, maar mijn trots houdt me tegen om contact op te nemen.

Na drie maanden komt Eva terug om haar spullen op te halen. Ze oogt sterker, volwassener.

‘Hoi mam,’ zegt ze koel.

‘Hoi lieverd,’ fluister ik schor.

Ze pakt haar spullen zonder veel te zeggen. Net voordat ze weggaat draait ze zich om.

‘Weet je mam,’ zegt ze zachtjes, ‘ik heb altijd gehoopt dat je trots op me zou zijn zoals je dat bij Daan bent.’

Ik voel tranen prikken achter mijn ogen maar kan niets zeggen.

Als ze weg is blijft er een leegte achter die niet meer te vullen lijkt.

Daan komt naast me zitten en pakt mijn hand vast.

‘Misschien moet je haar gewoon laten weten dat je van haar houdt,’ zegt hij zachtjes.

Maar hoe doe je dat als je hele leven gebouwd is op muren en afstand?

Nu zit ik hier alleen in een stil huis en vraag ik me af: Heb ik mezelf ooit toegestaan echt moeder te zijn voor allebei mijn kinderen? Of heb ik door mijn eigen pijn alleen maar meer pijn veroorzaakt?

Wat denken jullie: kan een moeder ooit nog goedmaken wat ze heeft kapotgemaakt? Of is het soms gewoon te laat?