‘Ik dacht dat trouwen op mijn zestigste een sprookje zou zijn, maar de werkelijkheid was heel anders’

‘Je denkt toch niet dat je zomaar onze vader kunt inpikken?’ De stem van Marieke, Jans oudste dochter, trilde van woede. Ik stond in de keuken van het huis in Amersfoort dat Jan en ik net samen hadden gekocht. Mijn handen beefden terwijl ik de theepot vasthield. Het was de eerste keer dat zijn kinderen op bezoek kwamen sinds onze bruiloft, en ik had gehoopt op een warm welkom. In plaats daarvan voelde het alsof ik een indringer was in hun leven.

Jan kwam binnen met een dienblad vol kopjes. ‘Marieke, hou op. Dit is niet eerlijk tegenover Els.’ Zijn stem was zacht, maar ik hoorde de spanning erin. Marieke keek hem aan, haar ogen donker van verdriet en boosheid. ‘Papa, mam is nog geen drie jaar dood. En nu trouw je met haar? Alsof mama nooit heeft bestaan!’

Ik wilde iets zeggen, uitleggen dat ik nooit de plaats van hun moeder wilde innemen, maar de woorden bleven steken in mijn keel. Mijn eigen dochter, Sophie, zat zwijgend aan tafel. Ze keek me aan met een blik die ik niet kon peilen – was het medelijden? Schaamte? Of voelde zij zich net zo verloren als ik?

Die avond lag ik wakker naast Jan. Zijn ademhaling was diep en regelmatig, maar ik voelde zijn hand niet zoals vroeger geruststellend op mijn arm rusten. Mijn gedachten tolden. Was dit een vergissing geweest? Had ik te snel willen grijpen naar een nieuw begin, zonder stil te staan bij de schaduwen uit het verleden?

Mijn eerste huwelijk met Kees was na dertig jaar op de klippen gelopen. We waren uit elkaar gegroeid, langzaam maar onvermijdelijk. De kinderen waren het huis uit, het huis voelde leeg en koud. Toen ontmoette ik Jan bij de bridgeclub. Zijn lach, zijn verhalen over fietstochten door de Veluwe, zijn zachte manier van praten – het voelde als thuiskomen. We werden verliefd zoals pubers dat kunnen zijn, giechelend en vol plannen voor de toekomst.

Maar nu, maanden na onze bruiloft in het stadhuis van Amersfoort – een bescheiden ceremonie met alleen onze kinderen en een paar vrienden – voelde alles anders. De sfeer tussen onze families was gespannen. Sophie kwam minder vaak langs; ze zei dat ze druk was met haar werk in Utrecht, maar ik voelde de afstand groeien. Jans kinderen – Marieke en Tom – kwamen alleen als het echt niet anders kon.

Op een regenachtige zondagmiddag zat ik alleen aan de keukentafel toen Sophie binnenkwam. Ze keek me onderzoekend aan. ‘Mam, ben je gelukkig?’ vroeg ze zacht.

Ik slikte. ‘Ik weet het niet meer, Sophie. Ik dacht dat ik dat was… Maar het voelt alsof ik alles kwijt ben geraakt wat ooit vertrouwd was.’

Ze pakte mijn hand. ‘Misschien moet je niet zo hard proberen iedereen gelukkig te maken. Misschien moet je eerst jezelf weer vinden.’

Die woorden bleven dagenlang in mijn hoofd hangen. Ik probeerde me vast te klampen aan kleine rituelen: samen koffie drinken met Jan op zaterdagochtend, wandelen door het bos achter ons huis, bloemen kopen op de markt. Maar telkens als de telefoon ging en het Marieke was die Jan nodig had voor iets – haar auto die stuk was, haar zoon die oppas nodig had – voelde ik me buitengesloten.

Op een avond barstte de bom. Jan kwam thuis na een lange dag bij Marieke en haar gezin. Ik zat op hem te wachten met een pan soep op tafel.

‘Je bent altijd weg,’ zei ik voordat ik mezelf kon tegenhouden.

Hij keek me verbaasd aan. ‘Ze hebben me nodig, Els. Het is niet makkelijk voor hen.’

‘En voor mij dan?’ Mijn stem brak. ‘Ik voel me hier soms zo alleen… Alsof ik altijd tweede keus ben.’

Jan zuchtte diep en ging tegenover me zitten. ‘Ik weet dat het moeilijk is. Maar jij wist toch hoe belangrijk mijn kinderen voor me zijn?’

‘Ja,’ fluisterde ik, ‘maar wie ben ik dan nog voor jou?’

Er viel een lange stilte tussen ons. De soep werd koud.

De weken daarna probeerde ik mezelf onzichtbaar te maken als Jans kinderen langskwamen. Ik ruimde op, maakte koffie, glimlachte beleefd – maar voelde me steeds meer een buitenstaander in mijn eigen huis.

Op een dag vond ik een briefje van Sophie op mijn kussen: ‘Mam, vergeet niet wie je bent. Je verdient het om gelukkig te zijn.’

Die nacht lag ik wakker en dacht aan vroeger: aan zomers op Texel met Kees en de kinderen, aan verjaardagen vol gelach en drukte, aan het gevoel ergens bij te horen. Was dat nu voorgoed voorbij?

De volgende ochtend besloot ik iets te veranderen. Ik schreef een brief aan Marieke:

‘Lieve Marieke,

Ik weet dat het moeilijk voor je is om mij in het leven van je vader te accepteren. Ik wil niet de plaats van je moeder innemen – niemand kan dat ooit doen. Maar ik hou van Jan en wil graag deel uitmaken van jullie familie, als jullie dat toelaten.

Misschien kunnen we samen eens koffie drinken? Gewoon om elkaar beter te leren kennen.

Liefs,
Els’

Het duurde weken voordat ze reageerde. In die tijd probeerde ik mezelf weer terug te vinden: ik ging weer schilderen, sloot me aan bij een leesclub in de bibliotheek en sprak vaker af met oude vriendinnen.

Toen Marieke eindelijk belde, was haar stem zachter dan voorheen.

‘Misschien kunnen we inderdaad eens praten,’ zei ze aarzelend.

We spraken af in een café in de stad. Het gesprek was ongemakkelijk in het begin, maar langzaam ontdooide er iets tussen ons. Ze vertelde over haar moeder, over hoe moeilijk het was haar te missen, over haar angst dat haar vader haar zou vergeten.

‘Ik snap het,’ zei ik zacht. ‘Ik ben zelf ook bang om vergeten te worden.’

We huilden allebei een beetje die middag.

Langzaam veranderde er iets in onze familie. Het ging niet vanzelf; er waren nog steeds spanningen en ongemakkelijke momenten. Maar er kwam ruimte voor nieuwe herinneringen: samen eten op zondag, verjaardagen vieren met alle kinderen en kleinkinderen erbij.

Toch bleef er iets knagen. Soms voelde ik me nog steeds alleen in een kamer vol mensen; soms miste ik de vanzelfsprekendheid van mijn oude leven.

Op mijn 61e verjaardag zaten we met z’n allen aan tafel – Jan naast me, Sophie tegenover me, Marieke en Tom met hun gezinnen erbij. Er werd gelachen om oude verhalen en gekibbel over wie de beste appeltaart bakte.

Toen iedereen weg was en het huis weer stil werd, keek Jan me aan.

‘Ben je gelukkig?’ vroeg hij zacht.

Ik glimlachte flauwtjes. ‘Soms wel… soms niet. Maar misschien is dat gewoon hoe het leven is.’

Nu vraag ik mezelf vaak af: kun je echt opnieuw beginnen als je al zoveel hebt meegemaakt? Of draag je altijd iets mee van wat ooit was? Wat denken jullie – kan geluk op latere leeftijd bestaan als je bereid bent alles los te laten wat vertrouwd is?