Die nacht dat ik mijn zoon en schoondochter uit huis zette – en mezelf verloor
‘Mam, je overdrijft weer. Weet je dat wel?’ De stem van mijn zoon, Daan, galmt nog na in mijn hoofd. Het was half twee ’s nachts, de regen sloeg tegen de ramen van mijn appartement in Utrecht, en ik stond trillend in de woonkamer. Mijn handen klemden zich om de sleutelbos alsof het een wapen was.
‘Overdrijven? Daan, jullie hebben geen respect meer voor mij, voor dit huis! Jullie komen en gaan wanneer het jullie uitkomt, laten alles slingeren, betalen geen cent huur… En nu dit weer!’ Mijn stem brak. Ik voelde me verscheurd tussen woede en verdriet. Mijn schoondochter, Marieke, zat op de bank met haar armen over elkaar, haar blik koel en ondoorgrondelijk.
‘Weet je wat, mam?’ zei Daan, zijn stem ineens zacht. ‘Misschien moeten we gewoon gaan. Misschien is dat beter.’
Die woorden sneden dieper dan ik ooit had verwacht. Ik had nooit gedacht dat het zover zou komen. Dat ik mijn eigen zoon en zijn vrouw midden in de nacht uit huis zou zetten. Maar daar stonden we dan: zij met hun koffers in de gang, ik met trillende handen en een hart dat bonkte van angst en spijt.
Het begon allemaal maanden geleden, toen Daan en Marieke hun baan verloren door een reorganisatie bij het bedrijf waar ze allebei werkten. Ze vroegen of ze tijdelijk bij mij konden intrekken – ‘tot we weer op de been zijn, mam’. Natuurlijk zei ik ja. Wat voor moeder zou ik zijn als ik mijn kind niet zou helpen?
De eerste weken waren gezellig. We kookten samen, keken series op de bank. Maar langzaam veranderde er iets. Ze begonnen steeds later thuis te komen, lieten hun rommel liggen, namen vrienden mee zonder te vragen. De koelkast was altijd leeg, de energierekening schoot omhoog. En als ik er iets van zei, kreeg ik steevast te horen dat ik ze niet begreep.
‘Mam, we zijn volwassen mensen. Je hoeft ons niet te controleren,’ zei Daan op een avond toen ik vroeg of ze misschien wat boodschappen konden doen.
‘Ik vraag alleen om een beetje hulp in huis,’ antwoordde ik zachtjes.
Marieke rolde met haar ogen. ‘We zoeken al werk, hoor. Alsof wij het leuk vinden om hier te zitten.’
De spanning groeide met de dag. Mijn vrienden begonnen te vragen hoe het ging. ‘Je ziet er moe uit, Els,’ zei mijn buurvrouw Anja toen we samen koffie dronken op het balkon.
‘Het is zwaar,’ gaf ik toe. ‘Ik voel me soms een indringer in mijn eigen huis.’
‘Je moet grenzen stellen,’ zei Anja streng.
Maar hoe stel je grenzen aan je eigen kind? Hoe zeg je nee tegen iemand die je zelf op de wereld hebt gezet?
De situatie escaleerde toen ik ontdekte dat ze geld hadden geleend van mijn spaarrekening zonder het te vragen. Ik vond het afschrift op tafel – vijfhonderd euro verdwenen. Mijn hart stond stil.
‘Daan! Wat is dit?’ riep ik toen hij thuiskwam.
Hij keek me aan met die blik die hij als kind ook had als hij betrapt werd op kattenkwaad. ‘We moesten de huur van onze opslag betalen, mam. We wilden het terugstorten zodra we werk hadden.’
‘Maar je hebt het niet gevraagd! Dit is mijn geld!’
Marieke kwam erbij staan. ‘We hadden geen keus. Je begrijpt het gewoon niet.’
Die nacht kon ik niet slapen. Ik voelde me verraden, gebruikt – maar bovenal voelde ik me moeder. Een moeder die haar kind niet wilde laten vallen, maar ook niet langer over zich heen kon laten lopen.
En toen kwam die nacht. Ze kwamen laat thuis, luidruchtig lachend met vrienden terwijl ik probeerde te slapen. Iets in mij knapte.
‘Genoeg!’ schreeuwde ik vanuit mijn slaapkamerdeur. ‘Dit is mijn huis! Jullie moeten nu vertrekken!’
Daan keek me aan alsof hij me voor het eerst zag. ‘Je meent dit niet.’
‘Jawel,’ zei ik, terwijl de tranen over mijn wangen stroomden. ‘Ik kan dit niet meer.’
Ze pakten hun spullen in stilte. Marieke keek me niet meer aan. Daan draaide zich nog één keer om bij de deur.
‘Ik hoop dat je gelukkig bent nu,’ zei hij zachtjes.
De deur viel dicht. Ik bleef achter in een leeg huis dat ineens veel te groot voelde.
De dagen daarna bracht ik door in een roes van schuldgevoel en opluchting. Ik ruimde hun kamer op – vond lege bierflesjes onder het bed, een stapel ongeopende sollicitatiebrieven op het bureau. Ik vroeg me af waar ze nu waren, of ze veilig waren.
Mijn zus belde: ‘Je hebt gedaan wat je moest doen, Els.’
Maar waarom voelt het dan alsof ik gefaald heb? Alsof ik iets onherstelbaars heb kapotgemaakt?
’s Nachts lig ik wakker en hoor ik hun stemmen in mijn hoofd. Zie ik Daan als kleine jongen, met zijn blonde haren en ondeugende lachje. Hoe is het zover gekomen? Waar ging het mis?
Soms denk ik dat we elkaar gewoon niet meer begrijpen – dat er een kloof is ontstaan tussen onze werelden die niet meer te overbruggen is.
Vanmiddag stond er ineens een envelop op de mat. Geen afzender, alleen mijn naam in Daan’s handschrift. Binnenin zat een briefje: ‘We zijn oké. Maak je geen zorgen om ons.’
Ik huilde toen ik het las – van opluchting, maar ook van verdriet om alles wat verloren is gegaan.
Heb ik goed gehandeld? Of heb ik juist alles verloren wat er toe doet? Wat zouden jullie hebben gedaan als jullie in mijn schoenen stonden?