Der koelkast is geen kantine! Hoe mijn dochter Anna en haar vrienden ons huis op de proef stelden

‘Anna, dit kan zo niet langer!’ Mijn stem trilde, terwijl ik probeerde mijn woede te verbergen. Anna stond in de keuken, haar rug naar me toe, terwijl ze een pak melk uit de koelkast pakte. Achter haar hoorde ik het gelach van haar vrienden – alweer. Het was vrijdagavond, maar het voelde alsof het elke avond zo was.

‘Mam, doe niet zo moeilijk. We zijn gewoon even wat aan het drinken,’ zei Anna zonder zich om te draaien. Haar toon was nonchalant, maar ik hoorde de irritatie erdoorheen.

Ik keek naar de lege chipszakken op tafel, de kruimels op de vloer, de stapel borden in de gootsteen. Sinds een paar maanden was ons huis veranderd in een soort buurthuis. Anna’s vrienden – Daan, Fleur, Joris en nog een paar anderen – kwamen en gingen alsof ze hier woonden. Ze aten mee, bleven hangen tot laat, en lieten hun rommel achter. En ik? Ik voelde me steeds meer een vreemde in mijn eigen huis.

‘Het is niet alleen dat drinken, Anna,’ zei ik zachtjes. ‘Het is alles bij elkaar. Jullie zijn hier elke dag. Je vader en ik hebben ook behoefte aan rust. En het eten…’

Anna draaide zich nu wel om. Haar ogen fonkelden van boosheid. ‘Dus ik mag geen vrienden meer hebben? Moet ik dan maar op straat gaan hangen?’

‘Dat zeg ik niet! Maar er zijn grenzen. Dit is geen kantine!’ Mijn stem sloeg over.

Op dat moment kwam mijn man, Erik, binnen. Hij keek van mij naar Anna en weer terug. ‘Wat is hier aan de hand?’ vroeg hij voorzichtig.

‘Niks,’ mompelde Anna. Ze griste haar telefoon van het aanrecht en liep met grote passen naar de woonkamer, waar haar vrienden zaten te wachten.

Erik zuchtte diep. ‘We moeten hier echt iets mee, Marloes.’

Ik knikte, maar voelde me machteloos. Waar was het misgegaan? Anna was altijd zo’n vrolijk kind geweest, open en eerlijk. Maar sinds ze naar de vierde klas van het vwo ging, was er iets veranderd. Ze trok steeds meer op met die groep vrienden, en ons huis was hun vaste stek geworden.

Die avond lag ik wakker in bed. Ik hoorde het zachte gebrom van stemmen beneden, het gekletter van glazen. Erik lag naast me te snurken, maar ik kon de slaap niet vatten. Mijn gedachten tolden rond: Was ik te streng? Of juist te slap? Moest ik blij zijn dat Anna thuis was met haar vrienden – of werd ik gewoon gebruikt?

De volgende ochtend was de keuken een puinhoop. Overal lege glazen, pizzadozen, een half opgegeten bak ijs op het aanrecht. Ik voelde tranen prikken achter mijn ogen toen ik alles opruimde. Waarom deed niemand moeite om te helpen?

Toen Anna eindelijk beneden kwam – pas rond het middaguur – zat ik aan tafel met een kop koude koffie.

‘Goedemorgen,’ zei ze slaperig.

‘Anna, we moeten praten,’ begon ik voorzichtig.

Ze rolde met haar ogen en plofte tegenover me neer.

‘Ik wil best dat je vrienden langskomen,’ zei ik. ‘Maar niet elke dag. En als ze blijven eten, wil ik dat jullie helpen met koken en opruimen.’

Anna keek me aan alsof ik gek was geworden. ‘Serieus? Alsof we kleine kinderen zijn.’

‘Nee, juist niet,’ zei ik zachtjes. ‘Jullie zijn oud genoeg om verantwoordelijkheid te nemen.’

Ze stond op en liep weg zonder iets te zeggen.

Die middag kreeg ik een appje van Fleur’s moeder: “Hoi Marloes, bedankt dat de kinderen altijd bij jullie terecht kunnen! Zo fijn dat ze een plek hebben.”

Ik voelde boosheid opkomen. Wisten die andere ouders eigenlijk wel hoe het eraan toeging? Of waren ze gewoon blij dat hun eigen huis rustig bleef?

’s Avonds probeerde ik met Erik te praten.

‘Misschien moeten we gewoon duidelijke regels maken,’ stelde hij voor.

‘En als Anna zich daar niet aan houdt?’ vroeg ik wanhopig.

Hij haalde zijn schouders op. ‘Dan moeten we consequent zijn.’

Maar consequent zijn bleek moeilijker dan gedacht. De volgende week ging alles gewoon door: Anna’s vrienden kwamen na school langs, doken meteen op de koelkast af (“Hebben jullie nog cola?”), bestelden pizza’s op onze rekening (“We betalen je later terug!”), en lieten hun troep achter.

Op een avond barstte de bom. Ik kwam thuis van mijn werk – moe en chagrijnig – en trof Daan in onze woonkamer aan, met zijn voeten op tafel en een biertje in zijn hand.

‘Waar is Anna?’ vroeg ik scherp.

Hij grijnsde schaapachtig. ‘Even naar de supermarkt met Fleur.’

Ik voelde hoe mijn gezicht rood werd van woede.

‘Daan, dit is niet jouw huis! Wil je alsjeblieft je voeten van tafel halen?’

Hij keek me verbaasd aan, maar deed wat ik vroeg.

Toen Anna thuiskwam, ontplofte ik.

‘Dit kan zo niet langer! Jullie maken er hier een zooitje van! Ik ben geen huishoudster!’

Anna keek me aan met een mengeling van schaamte en verzet.

‘Misschien moet je gewoon wat relaxter doen,’ zei ze zachtjes.

‘Relaxter? Ik voel me niet meer thuis in mijn eigen huis!’ riep ik uit.

Erik kwam erbij staan en legde zijn hand op mijn schouder.

‘Anna, je moeder heeft gelijk,’ zei hij rustig. ‘We moeten nieuwe afspraken maken.’

Die avond zaten we met z’n drieën aan tafel. Het gesprek was moeizaam; Anna vond alles overdreven, wij voelden ons niet gehoord. Maar uiteindelijk spraken we af: maximaal twee keer per week mochten haar vrienden komen eten, en alleen als ze hielpen met koken én opruimen.

De eerste weken daarna waren ongemakkelijk. Anna was chagrijnig, haar vrienden kwamen minder vaak langs – en als ze er waren, deden ze zichtbaar hun best om te helpen. Maar de sfeer was anders; afstandelijker.

Soms hoorde ik Anna huilen op haar kamer. Dan brak mijn hart opnieuw: deed ik hier wel goed aan? Was dit pubergedrag – of had ik haar vertrouwen beschadigd?

Op een avond kwam Anna bij me zitten op de bank.

‘Mam…’ begon ze aarzelend.

Ik keek haar aan; haar ogen waren rood van het huilen.

‘Het spijt me dat ik zo bot deed,’ fluisterde ze. ‘Ik wilde gewoon dat mijn vrienden zich hier thuis voelden… Soms voel ik me zo alleen op school.’

Mijn hart brak opnieuw – maar nu van begrip.

‘Lieverd… Ik wil ook dat je gelukkig bent,’ zei ik zachtjes. ‘Maar we moeten allemaal rekening houden met elkaar.’

Ze knikte langzaam en kroop tegen me aan zoals vroeger, toen ze nog klein was.

Nu is het rustiger in huis. Anna’s vrienden komen nog steeds langs, maar minder vaak – en als ze blijven eten, helpen ze echt mee. Soms mis ik de drukte zelfs een beetje; soms verlang ik terug naar de stilte ervoor.

Maar één vraag blijft knagen: wanneer ben je als ouder te streng – en wanneer laat je over je heen lopen? Waar ligt die grens tussen liefdevolle gastvrijheid en jezelf verliezen?

Hebben jullie dat ook wel eens gevoeld? Waar trekken jullie de grens?