De Dag Dat Ik Mijn Zoon en Schoondochter De Deur Uit Zet

‘Mam, je overdrijft weer!’ De stem van mijn zoon, Daan, galmt nog na in de woonkamer. Zijn ogen flitsen van woede, zijn handen gebald tot vuisten. Mijn hart bonkt in mijn borstkas. Ik sta tegenover hem, mijn rug recht, maar vanbinnen voel ik me klein, zo ontzettend klein. ‘Ik overdrijf niet, Daan. Jullie laten overal je spullen slingeren, ik kan niet eens meer normaal in mijn eigen huis lopen zonder over schoenen, jassen of tassen te struikelen. Dit is niet meer mijn thuis, het is een chaos geworden!’

Daan’s vrouw, Sophie, zit op de bank met haar armen over elkaar. Ze kijkt me aan met die blik die ik inmiddels zo goed ken: een mengeling van minachting en vermoeidheid. ‘We doen echt ons best, hoor,’ zegt ze, haar stem ijzig. ‘Maar misschien moet u gewoon accepteren dat het nu ook ons huis is.’

Die woorden snijden dieper dan ik wil toegeven. Mijn huis. Mijn veilige haven, waar ik Daan heb opgevoed, waar ik na de dood van mijn man eindelijk weer een beetje rust vond. En nu, drie jaar nadat ze hier zijn ingetrokken omdat ze hun baan kwijtraakten en de huur niet meer konden betalen, voel ik me een indringer in mijn eigen leven.

Ik weet nog goed hoe het begon. Daan belde me op een regenachtige avond. ‘Mam, we hebben slecht nieuws. We moeten eruit, de huisbaas wil het appartement verkopen. Kunnen we een tijdje bij jou terecht?’ Natuurlijk zei ik ja. Wat voor moeder zou ik zijn als ik mijn eigen kind op straat liet staan? Maar een paar maanden werden drie jaar. Drie jaar waarin ik steeds meer op eieren liep, waarin ik me steeds meer terugtrok op mijn slaapkamer, omdat de woonkamer altijd vol lag met hun spullen, hun stemmen, hun leven.

‘Ik kan dit niet meer,’ fluister ik, meer tegen mezelf dan tegen hen. Maar Daan hoort het. ‘Wat bedoel je daarmee?’ Zijn stem breekt. Voor het eerst zie ik iets van angst in zijn ogen. Sophie rolt met haar ogen. ‘Laat haar maar, Daan. Ze heeft het altijd moeilijk als dingen veranderen.’

Ik voel de tranen prikken achter mijn ogen. ‘Jullie moeten een andere plek zoeken. Ik trek dit niet meer. Dit is mijn huis, en ik wil mijn leven terug.’

Daan’s gezicht vertrekt. ‘Je zet ons gewoon op straat? Je eigen zoon?’

‘Ik zet jullie niet op straat. Ik geef jullie tijd om iets te vinden. Maar ik wil mijn huis terug. Ik wil mezelf terug.’

De stilte die volgt is oorverdovend. Sophie staat op, pakt haar telefoon en loopt de kamer uit. Daan blijft staan, zijn schouders hangen. ‘Mam…’

‘Nee, Daan. Ik meen het. Ik hou van je, maar dit werkt niet meer.’

Die nacht slaap ik nauwelijks. Ik hoor hun stemmen in de kamer naast mij, gefluister, gehuil. Mijn hart breekt, maar ik weet dat ik niet meer terug kan. De volgende ochtend is de sfeer ijzig. Sophie zegt niets, Daan kijkt me niet aan. Ik maak koffie, zet het op tafel, maar niemand drinkt ervan.

De weken die volgen zijn een hel. Ze zoeken naar kamers, maar alles is te duur, te klein, te ver weg. Daan is stil, Sophie is boos. Ik probeer het gesprek aan te gaan, maar elke poging eindigt in ruzie. ‘U heeft geen idee hoe moeilijk het is om iets te vinden!’ snauwt Sophie. ‘U denkt alleen maar aan uzelf!’

Misschien heeft ze gelijk. Misschien ben ik egoïstisch. Maar ik kan niet meer. Ik ben 62, ik wil rust, ik wil mijn huis terug. Ik wil niet meer wakker liggen van de herrie, de rommel, de spanning. Ik wil gewoon weer mezelf zijn.

Op een avond, na weer een ruzie over de was die ze nooit opruimen, barst ik in tranen uit. Daan komt naast me zitten. ‘Mam, het spijt me. Echt. Maar we weten niet waar we heen moeten. Je vraagt het onmogelijke.’

‘Ik weet het, lieverd. Maar ik kan niet meer. Ik ben op.’

Uiteindelijk vinden ze, na drie maanden, een klein appartementje in Utrecht. Het is duur, het is krap, maar het is van hen. De dag dat ze vertrekken, help ik met inpakken. De stilte tussen ons is zwaar. Sophie zegt nauwelijks iets. Daan omhelst me, zijn ogen nat. ‘Ik hoop dat je gelukkig wordt, mam.’

Als de deur achter hen dichtvalt, voel ik een mengeling van opluchting en verdriet. Het huis is stil, te stil. Ik loop door de kamers, zie hun lege plekken, hun afdrukken in het tapijt. Ik huil, ik lach, ik weet niet wat ik voel.

De weken daarna hoor ik weinig van ze. Daan stuurt af en toe een bericht, maar Sophie laat niets van zich horen. Mijn kleindochter, die onderweg is, zal ik straks misschien minder zien. Ik vraag me af of ik het juiste heb gedaan. Heb ik mijn familie gered, of juist verscheurd?

Soms zit ik ’s avonds op de bank, kijk ik naar de lege stoel waar Daan altijd zat, en vraag ik me af: had ik meer geduld moeten hebben? Had ik harder moeten vechten voor onze band, of was dit de enige manier om mezelf niet te verliezen? Wat zouden jullie hebben gedaan, als je in mijn schoenen stond?