Ben ik alleen maar een portemonnee voor mijn man? – Het verborgen verdriet van een Nederlandse vrouw

‘Weet je wat, Marieke? Misschien moet je gewoon wat minder klagen en wat meer waarderen wat je hebt.’ De woorden van mijn man, Jeroen, snijden door me heen als een mes. Ik sta in de keuken, mijn handen nog nat van het afwassen, terwijl hij op de bank zit met zijn telefoon. Zijn stem klinkt ongeïnteresseerd, alsof ik weer eens overdrijf. Maar ik voel het anders. Ik voel me leeg, uitgeput, en vooral: onzichtbaar.

Elke ochtend sta ik als eerste op. Ik maak ontbijt voor onze twee kinderen, Fleur en Bram, en zorg dat ze op tijd naar school gaan. Jeroen slaapt meestal uit, tenzij hij een vroege afspraak heeft. Ik werk vier dagen per week als administratief medewerker bij een makelaarskantoor in Utrecht. Mijn salaris is niet slecht, maar het grootste deel gaat op aan de hypotheek, boodschappen, kinderopvang en rekeningen. Jeroen werkt als freelance grafisch ontwerper, maar zijn opdrachten zijn onregelmatig. Soms verdient hij goed, soms wekenlang niets. Toch lijkt hij zich daar nooit zorgen over te maken.

‘Marieke, kun je even €200 overmaken naar mijn rekening? Ik moet nog wat betalen voor Sanne.’ Sanne is zijn dochter uit zijn eerste huwelijk. Ze is zestien en woont bij haar moeder in Amersfoort. Jeroen betaalt alimentatie, maar daarnaast krijgt Sanne regelmatig extra’s: nieuwe schoenen, een laptop, geld voor schoolreisjes. Ik gun het haar, echt waar, maar soms voelt het alsof onze eigen kinderen op de tweede plek komen. Als ik daar iets van zeg, kijkt Jeroen me aan met die blik die zegt dat ik harteloos ben.

‘Ze is mijn dochter, Marieke. Wat wil je dat ik doe? Haar laten stikken?’

‘Nee, natuurlijk niet,’ zeg ik dan zacht. Maar ik denk: en ik dan? En onze kinderen?

’s Avonds, als de kinderen op bed liggen, zit ik vaak alleen aan de keukentafel. Jeroen is dan in zijn werkkamer, zogenaamd aan het werk, maar meestal hoor ik het geluid van zijn gameconsole of zie ik het licht van zijn telefoon onder de deur door schijnen. Soms probeer ik met hem te praten. Over geld, over de toekomst, over hoe moe ik ben. Maar het gesprek loopt altijd vast.

‘Je maakt je veel te druk, Marieke. Alles komt goed.’

Maar het komt niet goed. Ik voel me steeds meer opgesloten in een leven dat niet van mij lijkt te zijn. Mijn dromen – een eigen bedrijfje beginnen, een keer met het gezin naar Italië op vakantie, gewoon een avond samen op de bank zonder zorgen – lijken verder weg dan ooit.

Mijn moeder belt vaak. ‘Hoe gaat het, lieverd?’ vraagt ze dan. Ik wil haar niet belasten met mijn zorgen, dus ik zeg altijd dat het goed gaat. Maar soms hoor ik aan haar stem dat ze het niet gelooft.

Op een dag, als ik thuiskom van mijn werk, vind ik een brief van de bank op de mat. We staan rood. Niet een beetje, maar flink. Mijn hart slaat over. Ik loop naar Jeroens werkkamer en duw de deur open.

‘Jeroen, we moeten praten. We staan diep in het rood. Dit kan zo niet langer.’

Hij zucht en draait zich om. ‘Ik heb binnenkort weer een grote opdracht. Maak je niet zo druk.’

‘Maar ik maak me wél druk! Ik werk me kapot, ik zorg voor alles, en jij…’ Mijn stem breekt. ‘Ik voel me alleen. Alsof ik er alleen voor sta. Alsof ik alleen maar goed ben om te betalen.’

Hij kijkt me aan, voor het eerst in weken echt. ‘Dat is niet eerlijk, Marieke.’

‘Nee, dat is het inderdaad niet.’

Die nacht lig ik wakker. Ik denk aan de kinderen, aan hoe ze altijd vragen of papa meegaat naar het park, maar hij heeft nooit tijd. Ik denk aan Sanne, die alles krijgt wat ze wil, terwijl ik moet puzzelen om nieuwe schoenen voor Fleur te kopen. Ik denk aan mezelf, aan het meisje dat ooit droomde van een gelukkig gezin, van liefde en gelijkwaardigheid.

De volgende ochtend besluit ik met Jeroen te praten. Echt te praten. Ik wacht tot de kinderen naar school zijn en zet koffie. Hij komt slaperig de keuken in.

‘Jeroen, ik kan zo niet verder. Ik voel me leeg. Ik voel me niet gezien, niet gewaardeerd. Ik ben niet alleen maar een portemonnee. Ik ben je vrouw. Ik wil samen beslissingen nemen, samen zorgen, samen dromen. Maar nu… nu voel ik me alleen.’

Hij kijkt me aan, zijn ogen moe. ‘Ik weet niet hoe ik het anders moet doen, Marieke. Ik wil iedereen gelukkig maken. Sanne, de kinderen, jou. Maar het lukt me niet.’

‘Misschien moet je eerst jezelf gelukkig maken. En ik ook. Misschien moeten we hulp zoeken. Of in ieder geval eerlijk zijn tegen elkaar.’

Hij knikt langzaam. ‘Misschien heb je gelijk.’

De weken daarna zijn zwaar. We praten meer, soms met ruzie, soms met tranen. We maken een overzicht van onze financiën, zoeken hulp bij een budgetcoach. Jeroen probeert meer opdrachten aan te nemen, ik probeer minder alles alleen te doen. Het is niet makkelijk. Soms denk ik nog steeds: zou ik gelukkiger zijn als ik alleen was? Maar dan zie ik de kinderen lachen, of voel ik Jeroens hand op mijn schouder, en weet ik dat ik nog niet klaar ben om op te geven.

Toch blijft de vraag knagen: wanneer mag ik mezelf op de eerste plaats zetten? Wanneer ben ik meer dan alleen de portemonnee van het gezin? Misschien zijn er meer vrouwen zoals ik. Vrouwen die zich afvragen: ben ik nog wel mezelf, of ben ik alleen nog maar moeder, vrouw, bankrekening? Wat zouden jullie doen als je in mijn schoenen stond? Zou je blijven vechten, of kiezen voor jezelf?