Als alles instort: Een Nederlandse dochter vecht om gezien te worden

‘Waarom huil je nou alweer, Lotte? Je moet leren sterk te zijn. Niemand heeft iets aan een zwakkeling.’

De woorden van mijn moeder snijden als messen door de stilte in de keuken. Ik ben veertien en mijn tranen rollen over mijn wangen, maar ik probeer ze weg te vegen voordat ze het ziet. Mijn moeder, Marjan, staat met haar rug naar me toe bij het aanrecht, haar handen stevig om een theedoek geklemd. Het is alsof ze bang is dat als ze me aankijkt, ze iets zal zien wat haar niet bevalt.

‘Ik… ik snap het gewoon niet, mam. Waarom moet alles altijd zo moeilijk?’

Ze draait zich om, haar blik hard. ‘Het leven ís moeilijk, Lotte. Je moet niet verwachten dat iemand je hand vasthoudt. Zeker ik niet. Je bent geen kind meer.’

Die avond lig ik in bed en staar naar het plafond van mijn kleine kamer in ons rijtjeshuis in Amersfoort. Mijn vader is al jaren weg; hij vertrok toen ik acht was, zonder een briefje achter te laten. Mijn moeder werkte sindsdien fulltime bij de gemeente en leek elke dag een beetje meer in zichzelf gekeerd. Ik leerde al snel dat vragen om aandacht of liefde alleen maar tot ergernis leidde.

Op school deed ik mijn best om onzichtbaar te zijn. Mijn vriendinnen – als je ze zo kon noemen – spraken over hun moeders die hen knuffelden, samen naar de markt gingen of urenlang kletsten over jongens en dromen. Ik loog soms dat mijn moeder ook zo was, maar diep vanbinnen wist ik dat niemand begreep hoe leeg het voelde thuis.

Toen ik achttien werd, stond er geen taart op tafel. Geen slingers, geen kaartje. Alleen een envelop met daarin een pinpas en een briefje: ‘Je krijgt nu je eigen rekening. Tijd om volwassen te worden.’

Ik weet nog dat ik die avond naar buiten liep, de koude novemberlucht in. Ik liep langs de grachten, keek naar de lichtjes in de huizen en vroeg me af hoe het zou voelen om ergens thuis te komen waar iemand op je wachtte.

Het eerste jaar op kamers in Utrecht was een chaos. Mijn huisgenoten – allemaal studenten met hun eigen bagage – begrepen niet waarom ik nooit belde met mijn moeder. ‘Je mist haar toch wel?’ vroeg Sanne eens voorzichtig toen ze me betrapte op een huilbui in de keuken.

‘Nee,’ loog ik. ‘We zijn gewoon allebei druk.’

Maar de waarheid was dat ik haar miste op een manier die pijn deed. Niet omdat ze weg was, maar omdat ze er nooit echt geweest was.

Op een dag, tijdens een college psychologie, stelde de docent een vraag: ‘Wie van jullie voelt zich echt gezien door zijn ouders?’ Bijna iedereen stak zijn hand op. Ik niet. Mijn handen bleven in mijn schoot liggen, koud en zwaar.

Na het college bleef ik zitten, starend naar het lege bord. De docent kwam naar me toe en vroeg zacht: ‘Gaat het wel?’

Ik knikte, maar mijn stem trilde toen ik antwoordde: ‘Soms vraag ik me af of er iets mis is met mij. Of ik te veel ben, of juist te weinig.’

Hij glimlachte droevig. ‘Soms zijn ouders niet in staat te geven wat je nodig hebt. Dat zegt niets over jouw waarde.’

Die woorden bleven dagenlang in mijn hoofd rondzingen.

De maanden gingen voorbij en ik probeerde mijn leven op te bouwen. Ik werkte bij de Albert Heijn om mijn huur te betalen en studeerde hard om mijn BSA te halen. Maar elke keer als ik thuiskwam in mijn kleine kamer en niemand op me wachtte, voelde ik diezelfde leegte.

Op een dag kreeg ik een telefoontje van mijn moeder. Haar stem klonk afstandelijk, bijna zakelijk.

‘Lotte, kun je dit weekend langskomen? Er moet iets besproken worden.’

Mijn hart sloeg over. Was er iets ergs gebeurd? Of had ze eindelijk door dat ze me miste?

Toen ik zaterdag aankwam, zat ze al aan tafel met een stapel papieren voor zich.

‘Ik ga kleiner wonen,’ zei ze zonder omhaal. ‘Dit huis is te groot nu jij weg bent. Je spullen staan in dozen in de schuur. Kun je die vandaag meenemen?’

Ik keek haar aan, zoekend naar iets van spijt of emotie in haar gezicht. Maar haar blik was leeg.

‘Wil je… wil je niet samen koffie drinken?’ vroeg ik voorzichtig.

Ze haalde haar schouders op. ‘Ik heb nog veel te doen.’

Die middag sleepte ik dozen naar mijn oude fiets en fietste terug naar Utrecht met tranen die over mijn wangen stroomden.

De weken daarna voelde ik me verloren. Op een avond belde Sanne aan met een fles wijn en chocola.

‘Lotte, je hoeft dit niet alleen te doen,’ zei ze terwijl ze me stevig vastpakte.

Voor het eerst liet ik iemand toe. Ik vertelde haar alles: over de kille jeugd, het gevoel nooit genoeg te zijn geweest, de constante hunkering naar erkenning.

Sanne luisterde zonder oordeel en zei toen: ‘Misschien kun je haar niet veranderen, maar je kunt wel kiezen wie je toelaat in je leven.’

Langzaam begon ik te begrijpen dat familie niet altijd bloed hoeft te zijn. Ik vond steun bij vrienden, bij docenten, zelfs bij collega’s die vroegen hoe het écht met me ging.

Toch bleef er iets knagen. Op een dag besloot ik mijn moeder een brief te schrijven:

‘Mam,
Ik weet dat je altijd hebt gedaan wat je kon. Maar soms voelde het alsof je mij niet zag staan. Ik heb vaak gewenst dat je trots op me was, of gewoon eens zei dat je van me hield.
Misschien kun je dat niet geven – en misschien moet ik leren dat dat niet aan mij ligt.
Liefs,
Lotte’

Ik kreeg nooit antwoord op die brief.

Jaren later, toen ik zelf moeder werd van een dochtertje – Emma – voelde ik pas echt hoe diep het gemis zat. Elke keer als zij haar armpjes om me heen sloeg of ‘Mama!’ riep als ze bang was, brak er iets open in mij.

Op een avond zat ik naast haar bedje en keek naar haar slapende gezichtje. Ik dacht aan mijn moeder – aan alles wat ze niet kon geven – en vroeg me af: kan ik het patroon doorbreken? Kan liefde groeien waar ooit alleen leegte was?

Soms denk ik terug aan die koude keuken in Amersfoort, aan de harde woorden en het verlangen om gezien te worden. En dan vraag ik me af: hoeveel kinderen lopen er rond in Nederland die zich net zo voelen als ik toen?

Misschien is het tijd dat we daarover praten. Wat betekent het eigenlijk om écht gezien te worden door je ouders? En hoe geef je dat door aan de volgende generatie?