Zonder wiegje, zonder luiers: Mijn thuiskomst die alles veranderde
‘Bas, waar is de wieg?’ Mijn stem trilde, niet alleen van vermoeidheid, maar van een diepgewortelde angst die ik niet eerder had gevoeld. De geur van ziekenhuis hing nog in mijn jas, mijn dochtertje lag slapend in haar maxicosi op de koude tegelvloer van onze flat in Utrecht. Bas keek me aan met ogen die rood waren van slaapgebrek en stress. ‘Schat… het is allemaal zo snel gegaan. Ik heb het niet gehaald. Ik…’
Ik voelde hoe de tranen achter mijn ogen prikten. ‘Je hebt het niet gehaald? Bas, we hebben negen maanden gehad! Negen maanden om een wiegje te kopen, luiers te halen, iets— íéts— te regelen!’ Mijn stem sloeg over. De stilte in de gang was oorverdovend. Buiten hoorde ik het geratel van een tram, het gewone leven dat gewoon doorging terwijl mijn wereld op instorten stond.
Bas sloeg zijn ogen neer. ‘Mijn baas heeft me elke dag langer laten werken. Ik wilde je niet teleurstellen, echt niet.’
Ik keek naar onze dochter. Haar gezichtje was zo vredig, zo onschuldig. Ze had geen idee dat haar eerste nacht thuis zou zijn op een bank vol kruimels en zonder dekentje. Ik voelde me falen als moeder nog voordat ik goed en wel begonnen was.
‘Weet je wat het is, Bas?’ zei ik zacht. ‘Ik heb me zo alleen gevoeld in het ziekenhuis. Elke nacht zonder jou, zonder familie. En nu kom ik thuis en is er… niks.’
Hij kwam dichterbij, wilde me aanraken, maar ik deinsde achteruit. ‘Laat maar,’ fluisterde ik. ‘Ik moet eerst voor haar zorgen.’
De eerste nacht thuis was een nachtmerrie. Geen wiegje, geen luiers, geen flesjes. Ik improviseerde met handdoeken en een oude doos van de Albert Heijn. Mijn moeder belde om te vragen hoe het ging, maar ik loog: ‘Alles is goed, mam. Ze slaapt lekker.’
In werkelijkheid zat ik op de rand van de bank te huilen terwijl Bas in de keuken met zijn hoofd in zijn handen zat. ‘Sorry,’ hoorde ik hem fluisteren tegen zichzelf.
De dagen erna probeerden we te redden wat er te redden viel. Bas rende na zijn werk naar de HEMA voor luiers en rompertjes. Maar de sfeer bleef gespannen. Elke keer als hij binnenkwam, voelde ik woede opborrelen. Waarom moest ík altijd degene zijn die alles regelt? Waarom kon hij niet één keer verantwoordelijkheid nemen?
Op een avond barstte ik uit. ‘Weet je nog dat je zei dat we samen ouders zouden worden? Dat je er altijd voor ons zou zijn? Waar ben je nu dan? Je werkt alleen maar!’
Bas sloeg met zijn vuist op tafel. ‘Denk je dat ik dit leuk vind? Denk je dat ik niet kapot ben? Mijn baas dreigt me te ontslaan als ik nog één dag vrij neem! We kunnen die hypotheek niet betalen als ik mijn baan verlies!’
‘En wat dan met mij? Met haar?’ Ik wees naar onze dochter die begon te huilen van de spanning in de kamer.
‘Jij hebt tenminste verlof! Jij mag thuisblijven!’
Die woorden sneedden dieper dan hij ooit zou weten. Alsof thuisblijven met een baby vakantie was.
De weken sleepten zich voort. Mijn kraamverzorgster, Marijke, probeerde luchtigheid te brengen. ‘Het komt goed, echt waar,’ zei ze terwijl ze de keuken opruimde. Maar zelfs zij kon niet voorkomen dat Bas en ik steeds verder uit elkaar dreven.
Op een dag kwam mijn schoonmoeder onverwacht langs. Ze keek rond in het rommelige huis en zuchtte diep. ‘Vroeger deden we alles zelf,’ zei ze streng. ‘Jullie generatie verwacht dat alles geregeld wordt.’
Ik voelde me kleiner worden onder haar blik. ‘We doen ons best,’ mompelde ik.
‘Misschien moet je Bas wat meer steunen,’ fluisterde ze terwijl ze haar jas aandeed.
Toen ze weg was, barstte ik opnieuw in tranen uit. Steunen? Ik sleepte mezelf elke dag door de uren heen, voedde onze dochter om de twee uur, sliep nauwelijks en voelde me steeds meer verdwijnen.
Op een avond zat ik met mijn vriendin Sanne op het balkon, terwijl Bas binnen probeerde onze dochter in slaap te wiegen.
‘Je moet echt voor jezelf opkomen,’ zei Sanne zacht. ‘Dit is niet normaal.’
‘Maar wat als hij instort? Wat als we alles kwijtraken?’
Sanne pakte mijn hand vast. ‘En wat als jij instort? Wie vangt jou dan op?’
Die nacht lag ik wakker naast Bas, die snurkte van uitputting. Ik keek naar het plafond en vroeg me af wanneer we elkaar kwijt waren geraakt.
De volgende ochtend besloot ik dat er iets moest veranderen. Tijdens het ontbijt zei ik: ‘Bas, we moeten praten.’
Hij keek op met holle ogen.
‘Dit gaat zo niet langer,’ zei ik zacht maar vastberaden. ‘We zijn geen team meer. We leven langs elkaar heen en onze dochter verdient beter.’
Bas knikte langzaam. ‘Ik weet het,’ fluisterde hij.
We spraken af om hulp te zoeken: relatietherapie via de huisarts, meer hulp van familie accepteren, en Bas beloofde om met zijn baas te praten over minder uren.
Het was geen magische oplossing; de problemen verdwenen niet meteen. Maar er kwam ruimte voor begrip – voor elkaars angsten en tekortkomingen.
Toch bleef er iets knagen: had ik te veel verwacht? Of had hij te weinig gegeven?
Nu, maanden later, kijk ik naar mijn dochter die lacht in haar inmiddels perfect ingerichte kamertje. Soms vraag ik me af: hoeveel gezinnen breken er stilletjes onder de druk van verwachtingen en onuitgesproken pijn? En hoeveel vrouwen durven hun verhaal echt te delen?