Onze vrienden rekenen elke week op ons, maar ik merk dat ik niet meer op bezoek wil — en daar schaam ik me voor
Ik heb vorige maand gelogen over een afspraak bij de tandarts. Niet tegen mijn werkgever, want ik ben al twee jaar met pensioen. Tegen een vriend die ik sinds 1987 ken.
Kees moest naar de neuroloog en vroeg of ik kon rijden. Ik zei dat ik zelf in de stoel lag die ochtend. In werkelijkheid ben ik naar het tuincentrum gegaan, heb daar slechte koffie gedronken en bijna drie kwartier op mijn telefoon zitten kijken.
Ik vond het heerlijk dat niemand iets van me nodig had. Daarna schaamde ik me zo dat ik thuis niets over dat tuincentrum heb gezegd.
Mijn vrouw Marijke weet inmiddels wel van die leugen. Dat maakte het er niet beter op.
We zijn 67 en 65. Kees en Anja zijn ongeveer even oud. We leerden elkaar kennen op een camping in de Ardèche, toen we allemaal nog kinderen hadden die met plastic hamers haringen in de grond sloegen. Daarna kwamen verjaardagen, weekenden weg, oudejaarsavonden. Er zijn fotoalbums waarin zij vaker voorkomen dan sommige familieleden.
Kees had altijd plannen. Een camper huren, ergens fietsen, toch nog een terras pakken terwijl het eigenlijk te koud was. Anja regelde alles. Wij hoefden meestal alleen geld over te maken en op tijd klaar te staan.
Nu heeft Kees parkinson en Anja hartfalen. Vooral het laatste jaar is hun wereld klein geworden. Kees loopt binnenshuis nog wel, maar buitenshuis wordt hij onzeker en hij is snel moe. Anja moet soms al bijkomen van douchen. Ze wonen nog in hetzelfde rijtjeshuis, twintig minuten bij ons vandaan.
Het begon met de donderdagmiddag. Boodschappen meenemen, samen koffie drinken, iets zwaars verplaatsen. Dat vonden we vanzelfsprekend. Marijke maakte vaak een extra portie eten. Ik nam hun glasbakspullen mee.
We hadden het goed. We konden best iets doen.
Alleen bleef het niet bij donderdag.
Een afspraak in het ziekenhuis viel op dinsdag. De apotheek had iets niet bezorgd. De televisie deed raar. Anja had slecht geslapen en durfde Kees niet alleen te laten terwijl ze zelf naar de huisarts moest.
Het waren nooit belachelijke verzoeken. Dat is juist zo lastig uit te leggen.
Als iemand vraagt of je twee uur kunt rijden en wachten, kun je moeilijk zeggen dat je liever thuis de krant leest. Zeker als diegene vroeger zonder gedoe jouw kapotte schutting kwam repareren.
Dat deed Kees dus. En toen Marijke twaalf jaar geleden aan haar schouder werd geopereerd, stond Anja wekenlang met ovenschalen voor de deur. Dat vergeet ik niet, al denkt Marijke soms van wel.
Inmiddels zijn we er meestal drie keer per week. Niet altijd samen. Ik rijd, Marijke helpt met boodschappen en wasgoed. Tussendoor komen de berichten. Ook ’s avonds.
Ik heb mijn telefoon een keer onder een kussen gelegd omdat ik het geluid niet meer kon verdragen. Het was een filmpje van hun kleindochter. Toen voelde ik me helemaal een rotzak.
Hun zoon woont in Zwolle en heeft een druk gezin. Hun dochter woont dichterbij, maar het contact is ingewikkeld. Daar weten wij niet alles van. Ik heb een keer gezegd dat hun kinderen misschien wat meer konden doen.
Anja keek naar haar handen.
‘Die hebben ook hun leven.’
Ik zei niets. In de auto heb ik tegen Marijke gezegd dat wij blijkbaar geen leven hadden.
‘Dat heeft ze niet gezegd,’ zei ze.
Nee. Dat klopt.
Marijke werkte vroeger in de thuiszorg. Ze weet wat er kan en vooral wat er niet zomaar geregeld is. Er is huishoudelijke ondersteuning aangevraagd, maar daarmee is er nog niemand die meegaat naar het ziekenhuis of ’s middags blijft zitten als Kees een slechte dag heeft.
Ik heb voorgesteld om te kijken naar vrijwilligersvervoer. Anja zei dat ze dan steeds moest uitleggen wat Kees nodig had.
‘Met jou is hij gewoon op zijn gemak.’
Dat was aardig bedoeld. Ik werd er toch boos van.
De echte ruzie thuis ging over een paar dagen Drenthe. We wilden buiten de schoolvakanties een huisje huren. Niets bijzonders, fietsen als het weer meezat.
Marijke wilde eerst de afspraken van Kees afwachten.
‘We kunnen toch niet onze hele agenda om die van hen heen bouwen?’ zei ik.
Ze stond aardappels af te gieten en zette de pan harder neer dan nodig was.
‘Jij doet alsof ze dit voor hun plezier vragen.’
‘En jij doet alsof ik voor mijn plezier met pensioen ben gegaan om in een wachtkamer te zitten.’
Dat was een nare zin. Ook omdat ik wist dat ze hem later opnieuw zou horen in haar hoofd. We hebben die avond nauwelijks gepraat.
Ik slaap de laatste maanden slecht. Niet alleen hierdoor, hoor. Mijn knie speelt op en ik word sowieso vroeg wakker. Maar ik betrap mezelf erop dat ik op zondag al uitreken welke dagen nog van ons zijn.
Marijke zegt dat zij óók moe is. Dat geloof ik. Alleen trekt zij daar een andere conclusie uit: als wij al moe zijn, hoe moet het dan voor hen zijn?
Vorige week hebben we er met z’n vieren over gesproken. Geen groot gesprek met voorbereide zinnen. We zaten aan hun keukentafel en Anja vroeg of ik de woensdag erop kon rijden.
Ik zei dat het me te veel werd.
Kees knikte meteen. Dat had ik niet verwacht.
‘Je moet het zeggen, hè,’ zei hij.
Maar Anja vroeg wat ze dan moesten doen. Niet verwijtend, meer alsof ik had aangekondigd dat de bus niet meer reed.
Marijke begon over samen mogelijkheden uitzoeken. Ik hoorde mezelf zeggen dat ik niet ook nog degene kon zijn die alles ging regelen.
Daar schrok zij van. Ik zelf ook een beetje.
We zijn weggegaan zonder een nieuwe afspraak te maken. Kees liep mee naar de gang. Hij legde even zijn hand op mijn arm, maar zei verder niets.
Sindsdien stuurt Anja haar vragen naar Marijke in plaats van naar onze gezamenlijke app. Misschien om mij rust te geven. Misschien omdat ze boos is. Ik durf het niet te vragen.
Voor komende week heb ik gezegd dat ik donderdag beschikbaar ben, maar niet op de andere dagen. Marijke gaat dinsdag toch mee naar het ziekenhuis. Ze neemt de bus naar hen toe, omdat ik de auto nodig heb.
Ik heb aangeboden haar weg te brengen. Ze zei dat dat niet hoefde.
Het huisje in Drenthe staat nog open op de laptop. We hebben nog niets geboekt.