Al 28 jaar aten we op vrijdag met dezelfde vrienden. Sinds Marijke met pensioen is, weten we niet meer of we nog welkom zijn
Er stonden twaalf stoelen klaar in plaats van vier. Dat was eigenlijk het moment waarop ik begreep dat Marijke met ‘een paar anderen erbij’ iets anders bedoelde dan wij.
Mijn vrouw Anja had een schaal tiramisu meegebracht. Voor vier personen, royaal gerekend. Ze bleef ermee in de deuropening van hun woonkamer staan, terwijl Marijke onze jassen aannam en iemand achter haar riep dat hij geen koffie dronk na zes uur.
We kenden die man niet. De andere acht gasten ook niet.
Dat klinkt als een klein voorval. Misschien is het dat ook. Maar ik denk er vaker aan dan me lief is.
Ik ben 63, Anja is 61. Kees en Marijke kennen we sinds onze kinderen op dezelfde basisschool zaten. De kinderen zien elkaar nauwelijks meer, wij zijn blijven hangen. Achtentwintig jaar inmiddels.
Vrijdagavond aten we samen, om en om bij elkaar. We gingen jaarlijks een week weg, meestal naar een huisje in Frankrijk of Duitsland. En op woensdagavond zaten we bij dezelfde fotoclub. Kees en ik fotografeerden vooral, de vrouwen waren beter in het bespreken ervan.
Het was vertrouwd. Soms zo vertrouwd dat ik tijdens het eten gewoon de vaatwasser ging inruimen bij hen. Niemand vond daar iets van.
Marijke stopte vorig voorjaar met werken. Ze had jarenlang de planning gedaan bij een groot installatiebedrijf. Altijd telefoontjes, zieken, monteurs die ergens niet naar binnen konden. Ze zei dat ze snakte naar dagen waarop niemand iets van haar moest.
Na drie weken schreef ze zich in voor Italiaans. Daarna kwam een cursus kunstgeschiedenis, een wandelgroep en iets met improvisatietheater.
Ik vond dat eerlijk gezegd geweldig. Ze stuurde foto’s waarop ze ergens op een grasveld stond te lachen met mensen in felgekleurde regenjassen. Marijke had de laatste jaren vooral moe gekeken.
Kees was toen al twee jaar thuis. Die had zijn ritme gevonden: fietsen, zijn moeder bezoeken, wat klussen. Tussen de middag brood en het nieuws op de radio. Hij had zich verheugd op samen koffiedrinken, geloof ik. Dat zei hij niet meteen.
In het begin maakten we grapjes.
‘We moeten tegenwoordig via je secretaresse boeken,’ zei Anja toen Marijke voor de tweede keer een vrijdag oversloeg.
Marijke lachte mee. Later appte ze dat ze het een vervelende opmerking had gevonden. Anja liet mij het bericht zien en zei dat je blijkbaar ook niks meer kon zeggen.
Daar begon het al een beetje. Niet met ruzie, maar met dingen die ineens anders werden opgevat.
Die avond met de twaalf stoelen was best gezellig. Dat moet ik erbij zeggen. Ik praatte lang met een gepensioneerde fysiotherapeut over wandelen in Zuid-Limburg. Anja heeft de tiramisu in kleine schaaltjes verdeeld.
Kees zat naast de schuifpui en stond steeds op om iets te halen. Toen ik met hem in de keuken stond, vroeg hij of wij de volgende vrijdag gewoon thuis wilden eten.
‘Met ons vieren, bedoel ik.’
Ik zei meteen ja.
Pas later hoorde ik dat Marijke alweer iets had voorgesteld: een gezamenlijke maaltijd bij mensen van haar cursus, iedereen nam iets mee. Zij vond dat we allemaal wel mee konden. Kees had gezegd dat wij geen zin hadden.
Dat had ik niet gezegd. Ik had er ook geen zin in, maar dat is toch iets anders.
Een week later kwam hij op dinsdag langs. Ik werk nog drie dagen op een mbo en was net thuis. Hij hield zijn jas aan en vroeg of er koffie was.
‘Jullie moeten er vrijdag ook eens wat van zeggen,’ begon hij.
Hij wilde dat wij uitlegden hoe belangrijk onze vaste avonden waren. Niet alleen voor hem, zei hij. Voor ons allemaal.
Ik vroeg of hij dat zelf al had gezegd.
‘Dan ben ik weer degene die nooit iets wil.’
Hij plukte aan een los draadje van zijn mouw. Ik ken Kees als iemand die rustig luistert en dan één droge opmerking maakt. Nu bleef hij praten. Dat hij hele dagen niet wist wanneer ze thuis zou zijn. Dat zij bij het avondeten namen noemde van mensen die hij niet kende. Dat hij zich een zeur voelde als hij vroeg of ze een keer samen konden fietsen.
Ik kreeg met hem te doen. En ik zei dat wij die vrijdagavonden ook wilden houden.
Anja was kwaad toen ik het vertelde.
‘Nu heeft hij dus drie stemmen tegen één.’
Volgens mij overdreef ze. Tot ik vrijdag hoorde hoe ik zelf begon over tradities, en over dat je oude vrienden niet zomaar moest inruilen.
Marijke legde haar vork neer.
‘Inruilen? Ik vraag jullie mee.’
Daar had ik geen goed antwoord op.
Ze vertelde dat ze jarenlang haar vrije tijd om haar werk heen had moeten proppen. Dat ze op vakantie meestal alweer bezig was met wat er bij terugkomst lag. Nu kon ze eindelijk iets doen zonder eerst vrij te vragen.
‘Ik wil niet dat mijn week nu al tot mijn tachtigste vaststaat.’
Dat kwam aan. Want onze vrijdag stond daarin.
Kees zei dat niemand dat van haar vroeg. Zij keek hem aan, maar antwoordde niet. Anja begon over de koffie. Ik was haar daar dankbaar voor, al loste het niks op.
Sindsdien spreken we minder af. Niet dramatisch minder. Genoeg om steeds te moeten kijken wie er wanneer kan.
Kees stuurt mij soms een bericht als Marijke weg is. Eerst vond ik het fijn dat hij bij me terechtkon. Nu merk ik dat ik mijn telefoon laat liggen als ik zijn naam zie. Daar schaam ik me voor.
Hij vroeg laatst of we de vakantie alvast konden boeken, hetzelfde park als twee jaar geleden. Marijke had mij eerder verteld dat ze misschien met haar wandelgroep naar Slovenië wilde. Ik heb gedaan alsof ik dat niet wist.
Anja is inmiddels een keer met haar naar een museum geweest. Ze kwam vrolijk thuis. Ik reageerde nogal kortaf en hoorde mezelf zeggen: ‘Mooi dat jullie het gezellig hebben.’ Alsof zij Kees daarmee iets aandeed.
Afgelopen zondag hebben we met ons vieren geluncht. Gewoon soep en brood bij ons thuis. Marijke vertelde over haar cursus, Kees vroeg naar mijn werk. Er waren ook stukken waarop niemand iets zei.
Toen ze vertrokken, vroeg hij zachtjes of vrijdag weer kon.
Ik zei dat ik het nog moest nakijken. Dat was niet waar; onze agenda lag open op het aanrecht.
’s Avonds heb ik hem geappt dat ze welkom waren. Marijke antwoordde dat ze die avond al iets had, maar dat Kees vast graag kwam.
Ik heb vier broodjes uit de vriezer gehaald. Later heb ik er één teruggedaan.