Toen ik stopte met alles regelen, bleek onze vriendengroep nergens heen te gaan
Ik wist dat er iets veranderd was toen ik op dinsdagochtend een bericht van Henk zag en mijn eerste gevoel geen zin was, maar vermoeidheid.
‘Bij ons vrijdag? Of is dat lastig met Irene haar oppasdag?’
Vroeger zou ik meteen in de agenda kijken, een voorstel doen, een rondje in de groepsapp sturen en zorgen dat ook Karel wist hoe laat hij opgehaald kon worden. Karel rijdt al jaren niet meer in het donker, en sinds zijn staaroperatie eigenlijk liever helemaal niet naar een onbekende plek. Dat soort dingen weet je van elkaar na veertig jaar.
Ik keek naar Henks bericht, legde mijn telefoon met het scherm naar beneden en ging de tuin in om bladeren uit de goot te halen. Het was oktober, nat en koud, en ik had er niet eens haast mee. Dat voelde bijna ongepast. Alsof ik iets belangrijks oversloeg.
Wij zijn met acht mensen, althans, vier stellen. We kennen elkaar nog uit de tijd dat onze kinderen op dezelfde basisschool zaten in Amersfoort. Eerst waren het etentjes met kinderen die door de kamer renden, later barbecues, weekendjes in een huisje in Limburg, verjaardagen. Toen de kinderen ouder werden, bleven wij over. Elke vrijdagavond, tenzij iemand echt ziek was of op vakantie, zagen we elkaar. Soms bij iemand thuis, soms in het eetcafé aan de Leusderweg, soms gewoon koffie en wijn bij ons aan de keukentafel.
Ik ben daar vanzelf de regelaar in geworden. Niet omdat iemand dat benoemde. Ik was gewoon degene die het niet erg vond. Ik had een drukke baan bij een woningcorporatie, veel vergaderen, veel brandjes blussen. Dan was zo’n appje sturen thuis juist overzichtelijk. Wie kan wanneer, wie eet mee, moet er glutenvrij zijn voor Marja, zal ik Karel ophalen, nemen we een fles mee of doen we een tikkie?
Eerlijk gezegd vond ik het ook prettig dat mensen op mij rekenden. Ik was degene die wist dat Els haar verjaardag niet wilde vieren omdat haar moeder net was overleden. Degene die Henk na zijn hartinfarct bleef bellen, ook toen hij steeds zei dat het wel ging. De lijm, noemde mijn vrouw Anja me weleens. Met een glimlach, maar niet alleen met een glimlach.
Sinds ik vorig voorjaar met pensioen ben, is die lijm iets anders gaan voelen. Alsof ik de hele dag beschikbaar ben geworden voor alles en iedereen. Eerst waren er nog lijstjes: de belastingaangifte van mijn schoonmoeder, de klusjes in huis, eindelijk de schuur uitzoeken. Maar vooral wilde ik soms gewoon niets.
Niet depressief, niet ongelukkig. Ik wilde wakker worden, koffie drinken met de krant, een stuk fietsen langs de Eem en thuiskomen zonder dat er alweer drie berichten stonden over zaterdagavond. Ik had bijna veertig jaar deadlines gehad. Blijkbaar dacht ik dat mijn pensioen begon op de dag dat ik mijn laptop inleverde, maar mijn hoofd had iets langer nodig.
Anja merkte het eerder dan ik. Op vrijdagmiddag werd ik kortaf als er weer iets veranderde. Als Marja schreef dat ze toch pas om half acht kon en Els dan antwoordde dat zij liever niet zo laat at, kreeg ik een soort druk achter mijn ogen.
‘Je hoeft dit niet te doen, hoor,’ zei Anja op een avond.
Ik zei dat ik het best kon.
‘Dat is iets anders.’
Ik heb toen een bericht in de app gezet. Niet heel dramatisch. Ik schreef dat ik de komende tijd minder initiatief zou nemen en dat het me leuk leek als we het roulerend konden doen. Iedereen kon af en toe een datum prikken of iets voorstellen. Ik sloot af met een duimpje, wat achteraf misschien laf was.
De eerste reacties waren vriendelijk. “Natuurlijk, geniet van je rust.” “Komt goed, Jan.” Alleen gebeurde er daarna vrijwel niets.
Er kwamen losse berichten. Henk die vroeg of iemand zin had in een biertje. Irene die een keer een lunch voorstelde op een woensdag, waarop Karel niet kon en Marja bij haar kleinkinderen was. Soms gingen er twee stellen samen eten en hoorde ik dat pas later. Daar had ik oprecht geen bezwaar tegen, maar ik merkte dat ik toch keek wie er wel en niet gevraagd was.
Na een maand zei Anja: ‘Zie je wel? Ze wachten gewoon tot jij het weer oppakt.’
Ik vond dat te hard. Henk werkt nog drie dagen per week. Irene past op haar kleindochter. Els zorgt regelmatig voor haar broer, die beginnende dementie heeft. Iedereen heeft gedoe. Misschien waren ze gewoon niet zo van het organiseren.
Maar na drie maanden was onze vrijdagavond verdwenen. Niet officieel. Er was geen afscheid, geen ruzie. Alleen stilte in een app die vroeger de hele week doorging over boodschappen, voetbal en slechte knieën.
Toen belde Marja mij op. Ze begon voorzichtig, wat bij haar meestal betekende dat ze iets al lang had opgekropt.
‘Jan, ik hoop niet dat je dit vervelend vindt, maar ik mis ons wel heel erg.’
Ik zei dat ik dat begreep.
‘Maar jij hebt je eigenlijk teruggetrokken. En dan verwacht je dat wij het zomaar overnemen.’
Dat laatste stak, omdat het niet helemaal onwaar was. Ik had wel gezegd dat ik minder wilde doen, maar ik had niet echt uitgelegd hoe leeg ik me voelde. Tegelijk dacht ik: jullie zijn toch geen kinderen die zonder mij niet kunnen afspreken?
Marja zei dat het voor haar en Karel meer was dan een vrijdagavond. Karel had sinds zijn operatie weinig contacten buiten ons. Zij ook, eigenlijk. ‘Jij weet hoe hij is. Als er geen vaste afspraak is, dan blijft hij thuis.’
Daar kon ik niets goeds op zeggen. Ik had Karel inderdaad minder gezien. En als ik eerlijk ben, had ik dat soms ook fijn gevonden. Dat schaamde me onmiddellijk.
Een paar weken later nodigde Henk iedereen uit bij hen thuis. “Even met z’n allen bijpraten”, schreef hij. Anja wilde eerst niet. Ze vond dat ik niet voor een soort tribunaal hoefde op te draven. Maar ik wilde gaan, juist omdat ik geen zin had in nog maanden van halve appjes en ongemakkelijke toevallige ontmoetingen bij de Albert Heijn.
Het was een rare avond. Irene had borrelplanken gemaakt alsof het kerst was. Henk schonk te grote glazen wijn in. We praatten eerst over de verbouwing bij Els en over de zoon van Marja die misschien ging scheiden. Iedereen deed zijn best normaal.
Pas toen Karel naar huis was gebracht door zijn dochter, zei Henk: ‘Mag ik iets vragen zonder dat meteen iedereen boos wordt?’
Niemand antwoordde.
Hij keek mij aan. ‘Waarom laat jij het zo verwateren?’
Ik weet nog dat ik naar een stuk oude kaas op mijn bord keek. Anja schoof haar stoel iets naar achteren, dat doet ze altijd als ze boos wordt maar zich inhoudt.
Ik zei dat ik het niet liet verwateren. Dat ik alleen niet meer alles wilde trekken.
‘Maar dat deed je toch altijd met liefde?’ zei Els.
‘Ja. Toen wel.’
Marja zuchtte. ‘Dat klinkt wel makkelijk, Jan. Alsof wij nu de rekening krijgen van iets wat jij jarenlang zelf naar je toe hebt getrokken.’
Daar had ze een punt. Ik had zelden iemand echt laten helpen. Als Henk zei dat hij wel een restaurant zou reserveren, deed ik het vaak alsnog, omdat hij dan vergat te vragen of er een traploze ingang was voor Karel. Ik had mezelf onmisbaar gemaakt en was daarna verbaasd dat iedereen mij onmisbaar vond.
Maar ik werd ook kwaad. Niet netjes, trouwens. Ik zei dat ik geen activiteitencommissie was en dat ik het benauwend vond dat hun sociale leven blijkbaar op mijn schouders lag. Henk werd rood en zei dat ik wist wat die avonden voor hen betekenden. Anja zei dat niemand wist hoeveel tijd en energie het mij kostte, omdat ik dat blijkbaar zo goed verborgen had gehouden.
Toen werd het stil. Een echte stilte, niet zo’n gezellige waarin iemand een nootje pakt.
Irene zei uiteindelijk: ‘We hadden het misschien eerder moeten merken.’
Dat was lief bedoeld. Ik kon er alleen niet veel mee op dat moment.
We gingen vroeg weg. In de auto zei Anja eerst niets. Bij het verkeerslicht naast het ziekenhuis legde ze haar hand op mijn arm. ‘Je hoeft niet terug,’ zei ze.
De week erna maakte Henk een nieuwe appgroep aan, zonder flauwe naam of foto, gewoon “Vrijdag”. Hij zette er een schema in voor zes weken. Iedereen regelt één avond. Ik stond er ook tussen, maar pas in november.
Ik heb mijn naam niet verwijderd. Ik heb ook niet aangeboden om het schema mooier te maken, terwijl ik meteen zag dat Karel op een avond bij Els terecht zou moeten met drie verschillende bussen.
Afgelopen vrijdag waren we met z’n vijven bij Irene. Henk was verkouden en Marja paste onverwacht op. Karel was er wel; Els had hem gehaald. Het was niet zoals vroeger. Er vielen gaten. Soms wist niemand wat te zeggen. Maar Karel vertelde twintig minuten over een vogelhuisje dat hij had gemaakt, en niemand keek op zijn telefoon.
Toen we naar huis liepen, vroeg Anja of ik het miste.
‘Ja,’ zei ik. ‘Maar ik mis het niet genoeg om het weer alleen te dragen.’
Thuis lag mijn telefoon op tafel. Er stond één nieuw bericht in de groep: wie wil er volgende week wat drinken? Deze keer heb ik hem pas de volgende ochtend geopend.