Ik dacht dat ik onze vriendenkring bij elkaar hield, maar mijn man voelde zich een gast in zijn eigen huis

Ik had de boodschappenlijst al op het aanrecht liggen toen Henk zei dat hij niet mee zou gaan naar het huisje.

Niet op een boze manier. Hij stond gewoon in zijn sokken bij de keukentafel, met zijn koffie die al koud was geworden, en zei: „Marijke, ik kan dit weekend niet nog eens vier dagen doen alsof ik op een reünie ben waar ik niet weg mag.”

Ik weet nog dat ik meteen naar die lijst keek. Zes pakken koffie, borrelnoten, soepstengels, drie flessen wijn, ook alcoholvrij voor Els. Heel praktisch allemaal. Alsof het daarover ging.

Henk en ik zijn allebei 63. We kennen onze vriendengroep al vanaf onze tijd in Amersfoort, toen we nog in een huurhuis woonden en iedereen kleine kinderen had. Inmiddels wonen we verspreid: Baarn, Zeist, Hilversum, eentje zelfs in Zwolle. Maar elke donderdagavond is er wel iets. Eerst was het kaarten, later eten we om de beurt bij elkaar. In de zomer gaan we fietsen, in december doen we al jaren een gourmetavond die niemand echt lekker vindt, maar die toch blijkbaar moet blijven bestaan.

Ik ben altijd degene geweest die de appgroep bijhoudt. Niet omdat niemand anders dat kan, maar omdat ik het leuk vind. Ik onthoud verjaardagen, ik regel een bloemetje als iemand geopereerd is, ik zet een datumprikker uit. Toen ik nog op de administratie van een basisschool werkte, deed ik dat ernaast. Nu ben ik sinds vorig voorjaar met pensioen en eerlijk gezegd was ik de eerste maanden een beetje zoekende.

Je denkt dat je zeeën van tijd krijgt. Maar ik miste het geroezemoes op school, de kinderen die om een pleister kwamen vragen terwijl ze niks hadden, collega’s die in de deuropening bleven hangen. Dus ik ging meer doen voor de groep. Een lunch na het wandelen. Een barbecue omdat het eindelijk mooi weer was. Als Anja en Kees vanuit Zwolle kwamen, zei ik al gauw: blijf toch slapen, dan hoeven jullie niet terug in het donker.

Henk zei aanvankelijk weinig. Hij hielp de barbecue aansteken, haalde extra stoelen uit de schuur en maakte altijd een pan koffie voor iedereen. Dus ik nam aan dat hij het prima vond.

Achteraf is dat misschien het vervelendste: ik heb zijn zwijgen behandeld alsof het toestemming was.

Henk werkte 41 jaar bij dezelfde technische groothandel. Hij was daar chef magazijn, kende iedereen, had altijd gedoe aan zijn hoofd. Leveringen die niet klopten, jongens die te laat kwamen, een directeur die ineens wilde digitaliseren terwijl de helft nog met een kladblok liep. Hij zei jaren dat hij uitkeek naar zijn pensioen. Geen wekker meer, geen gezeur, eindelijk tijd voor de tuin en zijn oude motor.

Maar sinds hij thuis is, lijkt hij soms kleiner. Niet letterlijk, maar hij loopt wat doelloos door het huis. Hij begint aan dingen en maakt ze niet af. De motor staat al maanden onder een hoes. Als ik vraag of hij meegaat naar de markt, zegt hij vaak: „Nee, ga jij maar.”

Ik vond dat moeilijk. Misschien heb ik hem daarom juist overal bij willen trekken.

In augustus hebben we een etentje gehad waar uiteindelijk twaalf mensen bleven slapen. Dat was niet helemaal de bedoeling. Het begon met een verjaardag van Paul, toen werd het laat, toen bleek er treinuitval en voor je het weet liggen er matrassen in de werkkamer en slaapt iemand op de bank met een dekbed waar de hond normaal op ligt.

De volgende ochtend vond Henk de badkamer een puinhoop. Natte handdoeken over de deuren, lege shampoo van iemand anders, tandpasta op de spiegel. Hij zei niets waar de anderen bij waren, maar toen de laatsten weg waren, deed hij de achterdeur harder dicht dan nodig.

„Dit kan niet elke keer zo,” zei hij.

Ik zei dat het toch gezellig was geweest.

„Voor jou,” zei hij.

Daar werd ik boos van. Ik weet dat dat niet netjes klinkt, maar ik voelde me aangevallen op iets waar ik juist mijn best voor deed. Ik zei dat hij zich niet zo moest aanstellen en dat je mensen niet als last moet zien als ze al veertig jaar je vrienden zijn.

Hij keek me toen aan alsof ik hem iets heel raars had gevraagd. „Ze zijn mijn vrienden ook,” zei hij. „Maar ik wil niet dat ons huis een soort buurthuis wordt omdat jij niet goed stil kunt zitten.”

Dat kwam hard aan. Ook omdat er misschien iets van waar was.

Toch hebben we het niet echt uitgepraat. We deden wat wij vaker doen als iets schuurt: de volgende dag gewoon weer normaal tegen elkaar doen. Ik maakte zijn favoriete stamppot andijvie. Hij zette ’s avonds een aflevering van een Engelse detective aan. Niks opgelost, wel naast elkaar op de bank.

Het weekend in ons huisje heb ik vervolgens in de groepsapp voorgesteld. Ons huisje staat bij Ommen, klein maar fijn, aan de rand van een park. We gaan er meestal buiten het seizoen heen. Acht mensen hadden meteen gereageerd. „Wat heerlijk!” schreef Anja. „Eindelijk weer eens met z’n allen.” Ik reserveerde twee huisjes ernaast, omdat we anders niet pasten. Iedereen zou zijn eigen kosten betalen, behalve de eerste boodschappen; die wilde ik doen, als cadeautje eigenlijk.

Ik heb Henk pas later verteld dat het definitief was. Dat erken ik gewoon. Ik zei het op een dinsdagavond, tussen het eten en de afwas in.

Hij vroeg: „Wanneer dacht je dit met mij te bespreken?”

Ik zei iets doms als: „Nou, nu toch?”

Hij wilde weten hoeveel mensen er kwamen. Ik zei tien, misschien twaalf als Sander en Miriam ook konden. Hij zei niets meer. De dagen daarna was hij heel stil, maar ik dacht weer dat het wel zou zakken.

Tot hij bij die boodschappenlijst zei dat hij niet ging.

Ik zei dat hij dat niet kon maken. Iedereen rekende erop. Kees had zelfs vrij gevraagd voor de vrijdag. Henk zei dat precies dát het probleem was: iedereen rekende altijd maar op ons huis, ons huisje, mijn organisatie en zijn aanwezigheid als rustige gastheer.

„Ik heb je al zo vaak gevraagd om minder,” zei hij. „Niet nooit. Minder. En je hoort alleen wat je zelf wilt horen.”

Ik zei dat ik me niet verantwoordelijk ging voelen voor zijn sombere buien. Dat was laag. Ik zag hem direct dichtklappen.

Diezelfde middag heeft hij, zonder dat ik het wist, in de appgroep gezet dat het weekend niet doorging. Hij schreef netjes dat er thuis spanning was en dat hij het niet aankon om met een grote groep weg te gaan. Hij bood aan eventuele kosten te vergoeden.

Toen ik het zag, zat ik in de wachtkamer bij de mondhygiënist. Ik voelde mijn wangen branden. Niet alleen van woede. Ook van schaamte, omdat hij onze vrienden erbij had gehaald. Omdat iedereen nu wist dat het bij ons niet lekker liep.

De reacties waren lief, maar daardoor werd het erger. Els stuurde: „Wat verdrietig, we hadden geen idee.” Paul belde Henk, niet mij. Anja vroeg of we soms ruzie hadden. En Sander, die meestal overal een grap van maakt, schreef alleen: „Jullie gaan voor. Echt.”

Ik heb Henk die avond verweten dat hij me voor schut had gezet. Hij zei dat hij geen andere manier meer zag om serieus genomen te worden. Daar kon ik niets goed tegenin brengen, maar ik deed het toch. Ik zei dat hij onze hele kring kapotmaakte om zijn zin te krijgen.

Hij sliep die nacht in de logeerkamer. De volgende ochtend lag er een briefje op tafel dat hij naar zijn broer in Apeldoorn was, gewoon even weg. Geen grote verklaring. Alleen: „Ik ben zondag terug.”

Het is nu zaterdag. Ik ben niet naar Ommen gegaan. De boodschappen staan nog grotendeels in de bijkeuken. De wijn heb ik in de koelkast gezet, wat ook onzin is, want zoveel drinken wij samen niet.

Anja kwam gisteren even langs met een bos tulpen. Ze bleef in haar jas staan. Ze zei dat ze Henk wel begreep, maar dat ze mij ook begreep. Daar heb je dus eigenlijk niets aan, al bedoelde ze het goed.

Ik weet niet of ik straks moet zeggen dat ik voortaan niks meer organiseer. Dat zou ook niet eerlijk zijn, want dit is wie ik ben en ik wil niet doen alsof vrienden me niets meer kunnen schelen. Maar ik kan ook niet blijven volhouden dat gastvrijheid alleen mooi is wanneer degene met wie je woont er stil onder lijdt.

Morgen komt Henk terug. Ik heb de matrassen inmiddels weer naar zolder gebracht, hoewel er dit keer niemand op geslapen heeft.