Na dertig jaar vriendschap voelde ik me ineens de mantelzorger die ik nooit had beloofd te worden

Ik heb de afgelopen week drie keer bijna op de knop ‘dempen’ gedrukt bij onze WhatsApp-groep. Niet omdat Marjan of Henk iets verschrikkelijks zegt. Het zijn juist van die kleine berichten geworden.

‘Heeft iemand een goed nummer van een pedicure die ook aan huis komt?’

‘Wij denken eraan zaterdag even naar Intratuin te gaan, maar Henk durft niet zo goed te rijden met die pijnstillers.’

En dan, meestal een halfuur later, rechtstreeks aan mij: ‘Ans, zouden jullie misschien mee kunnen? Alleen als het uitkomt hoor.’

Dat laatste zinnetje maakt me nog het onrustigst. Want als ik zeg dat het niet uitkomt, krijg ik bijna altijd terug: ‘Nee joh, natuurlijk, we vragen ook veel te veel.’

Dan zit ik alsnog met een knoop in mijn maag aan de keukentafel.

We kennen Marjan en Henk al ruim dertig jaar. Pieter en ik woonden net in onze eerste koopwoning in Amersfoort, een rijtjeshuis met een lekkende dakkapel en een tuin waar alleen heermoes wilde groeien. Zij woonden twee straten verderop. Onze kinderen zaten bij elkaar in de klas, we dronken wijn op zaterdagavond en deelden van alles zonder daar ooit zwaar over te doen.

Toen mijn moeder overleed, stond Marjan op de stoep met een pan lasagne. Niet eens omdat ze dacht dat eten mijn verdriet zou oplossen, maar omdat ze wist dat ik anders drie dagen crackers met kaas zou eten. Toen Henk na zijn reorganisatie een tijd thuiszat, hielp Pieter hem met sollicitatiebrieven en deed alsof dat heel normaal was. We pasten op elkaars kinderen, leenden een auto, vierden verjaardagen. Het was nooit boekhouden. Juist daarom was het zo fijn.

Maar de laatste twee jaar is er iets verschoven.

Henk heeft artrose in zijn heupen en loopt slecht, zeker buiten. Hij wacht op een nieuwe behandeling bij de orthopeed, maar het gaat allemaal langzaam. Marjan heeft sinds een val van de trap last van haar schouder en ze is, als ik eerlijk ben, ook bang geworden. Bang om alleen te zijn, bang dat Henk valt, bang dat ze ergens niet meer binnenkomt met haar rollator. Hun dochter woont in Zwolle, hun zoon in Canada. De mensen van hun vroegere tennisclub zien ze nauwelijks meer, omdat Henk niet meer tennist en Marjan zegt dat ze zich dan zo opgelaten voelt.

Ik snap dat. Echt. Ik zou ook niet willen ruilen.

Tegelijkertijd zijn Pieter en ik allebei pas met pensioen. Pieter werkte bij de gemeente, ik jarenlang op de administratie van een zorgverzekeraar. We hebben niet ineens een zak geld gekregen, maar we hebben netjes gespaard en we hadden plannen. Geen wereldreis met een camper of zo. Gewoon een paar weken naar Frankrijk buiten het hoogseizoen, fietsen als het weer kan, een cursus keramiek voor mij. Pieter wilde eindelijk weer meer fotograferen.

De eerste maanden na zijn pensioen ging Pieter iedere dinsdag en donderdag bij Henk langs. Soms om een lamp te vervangen, soms om mee te kijken naar een brief van de gemeente, soms gewoon voor koffie. Dat vond ik prima. Pieter vond het zelf ook prettig, denk ik. Hij mist zijn collega’s meer dan hij toegeeft.

Alleen bleven die dinsdagen en donderdagen niet bij koffie.

Er kwamen ritjes naar het ziekenhuis, ophalen van medicijnen, meegaan naar de bouwmarkt omdat Marjan niet wist welke douchebeugel ze moest kopen. Een keer belde ze mij om kwart voor negen ’s avonds omdat Henk zijn telefoon niet kon vinden. Hij zat in zijn jaszak. Ik ben erheen gereden, omdat ik haar zo paniekerig hoorde klinken.

Pieter zei dan: ‘Als wij het niet doen, wie dan wel?’

Dat is een zin waar je moeilijk tegenin kunt. Want het antwoord is soms inderdaad: niemand direct. Maar ik voelde steeds vaker weerstand voordat de telefoon überhaupt ging. Daar schaamde ik me voor. Marjan was vroeger degene die me zonder oordeel aanhoorde toen onze oudste tijdelijk niet met ons wilde praten. Hoe kon ik nu geïrriteerd raken omdat ze vroeg of ik even mee wilde naar de apotheek?

Vorige maand kwamen ze eten. Ik had stamppot gemaakt, heel gewoon, want Henk had gezegd dat hij iets makkelijks wilde. Na het toetje haalde Marjan een mapje uit haar tas. Ze had een vakantie gevonden: een appartement aan de Costa Brava, drie slaapkamers, lift, zwembad, aangepaste badkamer. Tien dagen in september.

‘We dachten,’ zei ze, terwijl ze de afdrukken op tafel legde, ‘dat het zo gezellig zou zijn als we weer eens met z’n vieren gingen. Net als vroeger.’

Vroeger waren we met z’n vieren naar de Ardennen geweest en hadden we tot laat kaarten op een gammele campingtafel. Henk kon toen nog met twee kratten bier onder zijn arm een helling oplopen.

Pieter keek meteen geïnteresseerd. Hij vroeg naar de vlucht en of er een huurauto bij kon.

Marjan zei: ‘Henk kan natuurlijk niet zo lang alleen op pad. En op het vliegveld is het fijn als iemand een beetje overzicht houdt. Jij bent daar goed in, Ans.’

Ze zei het bijna als compliment. Henk lachte wat en zei dat hij best een scootmobiel voor op locatie kon regelen, maar dat iemand dan wel even mee moest kijken met overstappen, bagage en zo. Marjan kon door haar schouder geen zware dingen tillen. Ook wilde ze niet alleen met Henk naar het strand, voor het geval hij viel.

Ik keek naar die foto’s van het zwembad en voelde geen voorpret. Alleen een lijst die in mijn hoofd steeds langer werd. Medicijnen. Taxi. Rolstoelassistentie. Een appartement waar ik waarschijnlijk als eerste wakker zou worden om koffie te zetten, omdat Marjan niet goed bij de bovenste kastjes kan. Steeds rekening houden met tempo, met toiletten, met pijn, met vermoeidheid.

Ik zei niet meteen nee. Dat is misschien mijn fout geweest. Ik mompelde dat we erover na zouden denken.

Thuis zei Pieter dat hij het eigenlijk wel een goed idee vond. ‘Ze komen bijna nergens meer. Dit zou hen echt goed doen.’

Ik zei: ‘Maar het is geen vakantie voor ons, Piet.’

Hij werd stil. Daarna zei hij dat ik het zwart-wit zag. Dat we toch niet de hele dag voor hen hoefden te zorgen. Dat Henk en Marjan ons altijd geholpen hadden.

Dat laatste kwam hard aan, juist omdat het waar was.

Twee dagen later heb ik Marjan gebeld. Ik had het gesprek in mijn hoofd heel rustig voorbereid. Ik wilde zeggen dat we wel een keer een lang weekend in Nederland konden doen, ergens waar alles dichtbij was. Of dat we konden helpen zoeken naar een groepsreis met begeleiding. Maar toen ik haar aan de lijn had, klonk ik nerveus en te zakelijk.

Ik zei dat ik geen tien dagen de verantwoordelijkheid wilde hebben voor hun zorg en veiligheid in het buitenland.

Ze zei eerst niets. Daarna: ‘Dus wij zijn een last geworden.’

‘Nee, dat zeg ik niet.’

‘Maar dat bedoel je wel.’

Ik probeerde uit te leggen dat ik zelf ook net moet wennen aan deze fase. Dat ik niet van plan was om altijd beschikbaar te zijn. Dat ik bang was dat het mis zou gaan en dat ik dan niet wist wat te doen. Het klonk allemaal kleiner dan wat ik voelde.

Marjan zei: ‘Als je na dertig jaar niet eens samen op vakantie kunt omdat Henk wat slechter loopt, dan weet ik blijkbaar waar we staan.’

Ik werd boos. Niet netjes boos, maar scherp. Ik zei dat een vriendschap geen zorgcontract is en dat ze niet mochten doen alsof ik hen in de steek liet omdat ik één reis niet wilde.

Daarna heb ik opgehangen. Ik ben nog steeds niet trots op die laatste zin, of op het ophangen.

Henk belde Pieter diezelfde avond. Ik hoorde maar stukjes, omdat Pieter in de bijkeuken zat. Hij zei vaak: ‘Ja, dat snap ik,’ en ook een keer: ‘Nee, Ans bedoelt het niet zo.’ Toen hij ophing, zei hij dat Henk gekwetst was. Niet alleen over de vakantie, maar omdat hij het gevoel had dat hun wereld kleiner werd en wij blijkbaar liever weg wilden.

‘Alsof wij daar schuld aan hebben,’ zei ik.

Pieter keek me toen aan op een manier die ik vervelend vond. Niet boos, eerder teleurgesteld. ‘Nee. Maar misschien kunnen we wel wat milder zijn.’

Daarna hebben we twee dagen bijna alleen over praktische dingen gepraat. Of er nog melk was. Wie de afvalcontainer buiten zette. Pieter ging wel gewoon op dinsdag bij Henk langs. Ik heb daar niets van gezegd, maar ik voelde me buitengesloten in mijn eigen huis, en dat slaat nergens op. Hij mag zijn vriend toch zien.

Afgelopen vrijdag kwam hij terug met een formulier van de Wmo dat Henk en Marjan samen hadden ingevuld. Pieter had geholpen met de computer. Marjan had koffie gezet en volgens hem hadden ze het niet meer over Spanje gehad.

Toen zei Pieter ineens: ‘Ik heb tegen Henk gezegd dat ik hem wil blijven helpen, maar niet op een manier waardoor jij geen plannen meer durft te maken.’

Ik vroeg wat Henk daarop zei.

‘Hij zei dat hij het begreep. Maar hij klonk niet alsof hij het begreep.’

Vanmorgen stuurde Marjan een foto van de geraniums op haar balkon. Daaronder stond alleen: ‘Ze doen het toch nog goed dit jaar.’ Ik heb een hartje gestuurd, wat ik eigenlijk kinderachtig vind voor mensen van tweeënzestig. Daarna heb ik gevraagd of ze woensdag samen koffie wil drinken, zonder Pieter en Henk erbij.

Ze heeft nog niet gereageerd. Over twee weken zouden Pieter en ik de trein naar Maastricht nemen, drie nachten, een hotel vlak bij het station. Ik heb nog niet geboekt. Niet omdat ik toestemming nodig heb, maar omdat ik merk dat ik bang ben voor hoe leeg het voelt als ik eindelijk doe waar ik zo naar uitkeek.