Mijn man wil onze vriend na zijn scheiding bij ons in huis nemen, maar ik trek dit niet meer

Ik heb gisteren de logeerkamer op slot gedaan. Niet omdat ik bang ben dat iemand er zomaar naar binnen loopt, maar omdat ik ineens niet meer kon verdragen dat die kamer klaarstond alsof er al besloten was dat René hier zou komen wonen.

De sleutel hangt nu aan mijn sleutelbos. Ik schaam me daar een beetje voor. Het is tenslotte ons huis, niet alleen het mijne. Maar de afgelopen maanden voelt het ook steeds minder als ons huis.

Ik ben 63, met pensioen uit het onderwijs. Mijn man, Arie, is 65 en werkt nog twee dagen per week bij een installatiebedrijf omdat hij stilzitten vreselijk vindt. René en Marijke kennen we al sinds we eind jaren tachtig naast elkaar op de camping in Zeeland stonden. De kinderen waren klein, we hadden van die blauw-witte windschermen en iedereen had te weinig geld. Daarna bleven we elkaar zien. Etentjes, verjaardagen, weekenden weg, later oppassen op elkaars kinderen. Niet elke week, maar wel zó vertrouwd dat je bij hen de koelkast opendoet zonder het te vragen.

Toen Marijke vorig najaar ineens vertelde dat ze wilde scheiden, was René compleet van slag. Ik zeg ineens, maar misschien was het voor haar helemaal niet ineens. Achteraf hoorde ik dingen die ik niet wist: dat hij zich al jaren terugtrok, dat zij alles regelde, dat er steeds vaker dagen waren waarop hij alleen maar op de bank zat. Wij zagen René vooral op gezellige momenten. Dan was hij stiller dan vroeger, maar Arie is ook nooit een prater geweest. Je ziet kennelijk wat je gewend bent te zien.

Marijke vond vrij snel een appartement in Amersfoort. René bleef in hun huurhuis in Nieuwegein, althans voorlopig. Hij at slecht, sliep slecht en belde Arie soms drie keer op een avond. In het begin vond ik dat logisch. Wat moet je anders? Iemand van bijna 65 die opeens alleen in een huis zit waar overal nog spullen van zijn vrouw staan.

Arie ging erheen om een lamp op te hangen die was losgeraakt. Daarna om samen boodschappen te doen. Daarna omdat René de post niet meer opende en er aanmaningen lagen. Ik heb daar nooit moeilijk over gedaan. Ik heb zelf ook een paar keer soep gebracht. Eén keer heb ik samen met René zijn administratie op een stapel gelegd, gewoon om te beginnen. Hij zat tegenover me aan tafel en keek steeds naar zijn handen. Hij zei nauwelijks iets. Toen ik wegging, zei hij: ‘Jullie zijn de enigen die nog komen.’

Dat zinnetje bleef hangen. Bij mij ook.

Maar het werd steeds meer. Arie ging op maandagmorgen, donderdagmiddag en vaak ook zaterdag. Hij bleef eten, omdat René anders niets klaarmaakte. Op een gegeven moment nam hij een tas mee met schone onderbroeken, want ‘dan hoef ik niet steeds heen en weer als het laat wordt’. Hij sliep er soms. Eerst één nacht, toen twee nachten achter elkaar.

Ik zat hier dan alleen met de televisie aan zonder te kijken. Onze dochter woont in Groningen, onze zoon in Utrecht maar heeft zijn eigen gezin en een drukke baan. Het is niet dat ik geen mensen heb. Ik heb mijn koor en een vriendin, Els, met wie ik wandel. Maar mijn leven met Arie is ook gewoon: samen koffie, even naar de markt, mopperen over een programma op NPO 1. Dat verdween zonder dat we erover hadden gesproken.

Als ik zei dat ik hem miste, keek hij me aan alsof ik iets heel egoïstisch zei.

‘René redt het nu niet alleen, Monique.’

‘Dat snap ik. Maar jij kunt toch niet zijn hele leven overnemen?’

Dan zuchtte hij. Niet hard, maar op zo’n manier dat ik me klein voelde. ‘Nee, dus moet ik hem laten verzuipen?’

Ik heb nooit gezegd dat hij René moest laten verzuipen. Ik zei dat we de huisarts konden bellen, of dat Arie mee kon naar een afspraak. René heeft wel een huisarts, maar hij stelde het steeds uit. Arie zei dat je iemand die zo diep zit niet met een foldertje of een telefoonnummer kunt afschepen. Daar heeft hij misschien gelijk in. Alleen: ik vroeg niet om een foldertje. Ik vroeg om hulp erbij, omdat dit te groot werd voor één vriend die toevallig goed is in aanpakken.

De ergste ruzie hadden we nadat ik erachter kwam dat Arie al met René had afgesproken dat hij de kerstdagen bij ons zou zijn. Niet alleen eerste kerstdag eten, maar van kerstavond tot na nieuwjaar. Onze zoon en schoondochter zouden met de kleinkinderen komen slapen. De logeerkamer was voor hen bedoeld, al hadden we daar nog niet eens precies over gesproken.

Ik hoorde het per ongeluk toen Arie in de bijkeuken belde. Hij zei: ‘Ja joh, gewoon je tas meenemen. Monique vindt dat echt niet erg.’

Ik stond met een mand wasgoed in mijn armen. Het stomme is dat ik eerst dacht: misschien vindt hij dat echt, misschien ben ik degene die raar doet. Maar toen ik hem ermee confronteerde, zei hij niet eens sorry. Hij werd boos omdat ik had meegeluisterd.

‘Ik kan René toch niet met kerst alleen laten?’ zei hij.

‘Nee, maar je kunt niet namens mij beslissen dat hij hier een week woont.’

‘Het is maar een week.’

Ik zei: ‘Het is nooit maar één week. Het is elke avond bellen, elke dag kijken of hij gegeten heeft, afspraken afzeggen, slapen in zijn huis. En nu wordt ons huis ook van hem.’

Dat was gemeen geformuleerd. Ik weet dat. René doet dit niet expres. Hij is geen manipulator die hier binnen wil vallen. Volgens mij schaamt hij zich juist kapot. Maar ik was al weken boos en verdrietig tegelijk, en ik kreeg het niet netter uit mijn mond.

Arie sliep die nacht bij René. De volgende ochtend stuurde hij alleen: ik blijf nog even, hij is erg in de war.

Sindsdien is er iets veranderd tussen ons. Niet dramatisch, geen koffers op de stoep. We doen nog boodschappen en eten aan dezelfde tafel. Maar hij vertelt minder. Ik merk aan kleine dingen dat hij nog steeds afspraken maakt. Een brood dat ineens uit de vriezer is gehaald, zijn weekendtas achter de stoel, een berichtje dat hij wegklikt als ik naast hem zit. Misschien maak ik daar ook meer van dan nodig is. Dat kan best. Alleen vertrouw ik hem niet meer als hij zegt: ‘Ik ben zo terug.’

Vorige week kwam hij thuis met een gezicht dat ik inmiddels herken. Vastberaden, maar ook alsof hij wist dat ik boos zou worden.

René moest zijn huurhuis uit. Marijke staat nog op het contract en de verhuurder wil het niet voortzetten op zijn naam, of het lukt financieel niet, ik weet niet precies hoe dat zit. Hij heeft gereageerd op seniorenwoningen en een paar particuliere advertenties, maar voorlopig niks. Zijn zus woont in Limburg en kan hem niet in huis nemen.

‘Hij vroeg of hij een paar weken hier kan,’ zei Arie.

Ik ben niet gaan schreeuwen. Ik had daar gek genoeg geen energie voor. Ik vroeg wat een paar weken betekende. Hij zei dat hij het niet wist.

Toen zei ik dat ik dat niet kon. Niet op deze manier. Ik wil best helpen met bellen, met een maaltijd, hem een keer ophalen voor een afspraak. Maar niet iemand in onze logeerkamer die zo depressief is dat ik iedere ochtend ga luisteren of hij wel opstaat, terwijl mijn man ondertussen vindt dat alles vanzelf wel loopt als hij er maar genoeg is.

Arie keek me aan en zei: ‘Dus als René nergens heen kan, zeg jij gewoon nee.’

Ik zei: ‘Ik zeg nee tegen doen alsof wij professionele opvang zijn.’

Daarna zei hij een tijd niets. Hij heeft René die avond niet meegenomen. Dat weet ik, omdat ik wakker lag tot twee uur en bij elk geluid op straat dacht dat het zijn auto was.

Vanmorgen heeft Arie de huisartspraktijk van René gebeld, met René erbij. Er komt blijkbaar een gesprek en er wordt gekeken naar hulp en tijdelijke woonmogelijkheden. Ik ben opgelucht, maar ook niet gerust. Arie praat nog steeds kort tegen mij. En ik weet dat René voorlopig alleen zit in dat huis.

De logeerkamer is nog steeds op slot. Mijn kleindochter komt zaterdag slapen. Ik moet haar dekbed nog wassen, want dat ruikt een beetje muf. Dat is nu blijkbaar het praktische probleem waar ik me aan vasthoud.