Na veertig jaar voelde onze vriendengroep ineens als een kamer zonder ramen
De eerste keer dat ik bij de tijdelijke opvang in onze gemeente kwam, stond ik twintig minuten in de regen te wachten omdat ik niet wist welke ingang ik moest hebben. Het zat in een voormalig kantoorpand achter het station, zo’n gebouw waar vroeger een uitzendbureau en een telefoonwinkel hadden gezeten. Iemand had met stift een pijl op een kartonnetje gezet: ontvangst.
Ik was daar eigenlijk alleen heen gegaan omdat mijn buurvrouw zei dat ze mensen zochten die een paar uur per week konden helpen met taal oefenen. Ik ben vroeger secretaresse geweest op een school, ik kan aardig organiseren, en sinds ik met pensioen ben heb ik soms hele dagen waarop ik alleen de vaatwasser uitruim, een rondje loop en wacht tot het weer tijd is om te koken. Daar schaam ik me niet voor, hoor. Koos en ik hebben er ook hard genoeg voor gewerkt.
Maar binnen zat een jongen van een jaar of zestien met een schrift op schoot. Hij heette Amir, kwam uit Syrië, en vroeg in heel voorzichtig Nederlands waar hij een oplader kon kopen die niet te duur was. Ik wist het niet eens. Ik woon al bijna veertig jaar in dezelfde wijk en ik wist niet waar je een goedkope oplader haalde als je geen fiets, geen pinpas en niemand had om het aan te vragen.
Die avond vertelde ik het aan Koos terwijl hij de aardappels afgiet.
Hij zei: „Dat is naar voor, maar je kunt niet de hele wereld op je schouders nemen, Els.”
Dat zei hij niet hard. Juist daarom kwam het zo binnen. Alsof ik iets onhandigs had opgeraapt dat hij graag weer in de berm wilde leggen.
Koos en ik zijn 68 en 66, we zijn al 43 jaar getrouwd. We hebben twee dochters, allebei goed terechtgekomen, en sinds vorig jaar een kleinzoon. Onze vrienden kennen we nog van de camping in Frankrijk, uit de tijd dat de kinderen klein waren. Eerst waren het twee stellen, later kwamen er meer mensen bij. Nu zijn we met z’n achten: Koos en ik, Henk en Marianne, Ria en Theo, en Willem en José.
We zien elkaar bijna ieder weekend. In de winter eten we bij iemand thuis, met wijn die steeds iets te duur is geworden en kaasjes van de kaasboer. In de zomer fietsen we, spelen we jeu de boules of gaan we met de camper van Henk een lang weekend weg. We hebben begrafenissen, scheidingen van kinderen, nieuwe heupen en de coronatijd met elkaar meegemaakt. Ik heb Marianne geholpen toen haar moeder in het verpleeghuis lag. José stond bij mij in de keuken toen ik na mijn borstoperatie niet wist hoe ik het tegen onze dochters moest zeggen.
Dus ik dacht eerlijk gezegd dat ze wel zouden begrijpen waarom die opvang me bezig begon te houden.
Dat deden ze niet.
In het begin hield ik mijn mond. Ik ging op dinsdag en donderdag naar het pand. Ik hielp met formulieren, belde eens met de huisartspraktijk voor iemand die geen afspraak durfde te maken, en oefende Nederlands met drie vrouwen die veel beter Engels spraken dan ik. Soms bracht ik een tas met winterjassen mee. Niet omdat ik ineens een ander mens was geworden, maar omdat het nodig was en ik tijd had.
Toen kwam er een plan voor een kleine ontmoetingsruimte in het pand. Geen groot idealistisch ding, gewoon een plek met tweedehands tafels, een kast voor speelgoed en computers waarop mensen DigiD-zaken konden regelen. De gemeente betaalde een deel, een stichting wilde iets bijdragen, maar ze kwamen nog geld tekort.
Ik zei aan tafel bij Ria thuis dat we misschien met onze vriendengroep iets konden doen. Niet duizenden euro’s. Misschien ieder wat, of een inzameling via de buurt. Theo legde zijn vork neer en zei meteen: „Daar begint het alweer.”
Ik weet nog dat er draadjes sperzieboon aan mijn vork hingen. Zo’n dom detail.
„Wat begint er alweer?” vroeg ik.
„Dat wij ons schuldig moeten voelen omdat we een lekker leven hebben,” zei hij.
„Dat zeg ik helemaal niet.”
„Nee, maar zo komt het wel steeds over,” zei José. Ze keek niet eens boos. Eerder moe. „We zijn eindelijk op een leeftijd dat we niet overal meer een mening en een taak bij hoeven te hebben.”
Koos zei niks. Hij schoof alleen zijn glas een stukje naar voren.
Later in de auto zei hij dat ik het onderwerp niet iedere keer op tafel moest leggen. Dat mensen bij elkaar kwamen voor ontspanning, niet om zich te laten vertellen waar hun geld heen moest.
Daar had hij voor een deel gelijk in. Ik wist dat wel. Ik kan vasthouden, dat weet ik van mezelf. Als ik ergens van overtuigd raak, ga ik praten alsof anderen alleen nog maar de juiste informatie missen. Onze oudste dochter noemt het liefkozend mijn vergaderstem.
Maar ik had ook het gevoel dat iedereen ineens deed alsof ik een vreemde was geworden. Alsof ik na veertig jaar aan tafel niet meer mocht zeggen wat mij bezighield, zolang het maar niet over de kleinkinderen, een cruise of de verbouwing van de badkamer ging.
De ruzie over het vakantiegeld kwam een maand later. We wilden in september naar Puglia, iets wat we al jaren zeiden maar steeds uitstelden. Koos had een huisje gezien met een zwembad. Niet goedkoop, maar we hadden ervoor gespaard.
De opvang had ondertussen dringend geld nodig voor een tweedehands busje. Daarmee konden ze mensen naar taallessen, afspraken en sport voor de kinderen brengen. Ik wilde 2.500 euro overmaken. Niet al het vakantiegeld, maar ongeveer de helft van wat we apart hadden gezet.
Koos keek me aan alsof ik had gezegd dat ik alleen op reis ging.
„Dat is óns geld, Els.”
„Het is ook mijn geld.”
„Ja, en we hadden een afspraak.”
Ik zei dat we ook een jaar later naar Italië konden. Hij zei dat hij niet nog een jaar wilde wachten met alles wat leuk was, omdat er altijd wel ergens een noodsituatie was. Toen zei ik, veel te scherp, dat hij blijkbaar al met pensioen was gegaan van betrokkenheid.
Hij liep naar de schuur en bleef daar bijna een uur. Ik hoorde hem rommelen met de fiets, terwijl die fiets niks mankeerde.
Uiteindelijk heb ik geen 2.500 euro overgemaakt. Ik heb 750 euro van mijn eigen rekening gegeven, geld dat ik normaal gebruik voor cadeautjes, kleding en uitstapjes. Het voelde laf en tegelijk ook alsof ik een grens overging. Niet die van Koos, maar die van ons oude leven, waarin we alles zonder veel woorden samen besloten.
Sindsdien is het anders in de vriendengroep. Marianne appt mij nog wel apart. Ze vraagt hoe het gaat en stuurt foto’s van haar kleindochter. Maar voor het etentje van vorige week kreeg ik pas op donderdag een berichtje, terwijl het zaterdag was. „We houden het deze keer gewoon gezellig hè,” schreef Henk erachter, met een knipoog.
Ik ben niet gegaan. Ik zei dat ik hoofdpijn had. Koos ging wel.
Toen hij thuiskwam, was hij wat aangeschoten en overdreven opgewekt. Hij vertelde dat ze in het voorjaar naar de Moezel wilden en dat ik heus mee kon. Daarna vroeg hij of er nog koffie was.
Ik zette koffie. We zaten aan de keukentafel zonder veel te zeggen. Zijn jas rook naar sigaretten, hoewel hij zelf al twintig jaar niet rookt.
Dinsdag ga ik weer naar de opvang. Amir heeft inmiddels een bijbaan in een magazijn en heeft vorige week zelf zijn zorgverzekering geregeld. Hij stuurde me een foto van zijn eerste loonstrookje, zonder tekst erbij.
Koos en ik hebben nog niet besloten wat we met Italië doen. Het huisje kan tot eind deze maand kosteloos geannuleerd worden. De folder ligt nog op de vensterbank, onder een stapel reclame van de supermarkt.