Mijn zoon kwam herstellen bij ons, maar na acht maanden wilde ik mijn huis weer terug
Ik wist dat er iets niet goed zat toen mijn zoon Bas mij op een dinsdagmiddag belde en na mijn eerste ‘Hé jongen, alles goed?’ zo lang stil bleef dat ik dacht dat de verbinding was weggevallen.
Bas is 34, woont normaal in Utrecht en heeft altijd alles op eigen kracht gedaan. Studie afgemaakt, snel werk gevonden in de IT, een appartement gekocht toen dat nog nét enigszins mogelijk was. Hij was degene die ons uitlegde waarom we onze oude telefoon moesten vervangen en die op verjaardagen zei dat hij ‘even moest kijken’ als de wifi het niet deed.
Dus toen hij zei dat hij al weken niet meer fatsoenlijk sliep, op kantoor alleen nog maar naar zijn scherm staarde en soms de supermarkt niet in durfde, schrok ik. Niet omdat ik depressie niet kende. Mijn eigen moeder was de laatste jaren van haar leven ook vaak somber. Maar juist daarom schrok ik misschien wel.
Bas was inmiddels ziekgemeld. De bedrijfsarts had geadviseerd rust te nemen en zijn huisarts had hem doorverwezen naar een psycholoog. Hij zei dat zijn appartement hem benauwde. Alles stond daar nog zoals het was toen hij nog werkte: laptop op tafel, overhemden over een stoel, de agenda op de koelkast. Hij vroeg of hij een tijdje bij ons kon komen.
Mijn man, Henk, zei eigenlijk meteen ja.
‘Natuurlijk kan dat,’ zei hij. ‘Dat is toch geen vraag?’
Ik zei ook ja. Dat wil ik wel eerlijk vertellen. Ik heb niet gezegd: liever niet. Ik heb zelfs de kamer boven opgeruimd. Die gebruikten we vooral voor dozen met oude fotoalbums, de naaimachine en de logeerbedden voor als mijn zus met haar kleinkinderen kwam. Ik heb een nieuw dekbed gekocht bij de HEMA en zijn favoriete thee gehaald.
Ik dacht aan een paar weken. Misschien twee maanden. We spraken niet echt over een termijn. Dat was achteraf misschien dom, maar op dat moment voelde het alsof je bij iemand met een gebroken been niet eerst vraagt wanneer hij weer de trap op kan.
Bas kwam met twee tassen, een sporttas en zijn laptop. Hij zag grauw. Magerder ook. Henk omhelsde hem bij de voordeur en ik stond ernaast met mijn handen half in de lucht, alsof ik niet wist of ik hem moest vasthouden of zijn tas moest pakken.
De eerste weken waren rustig. Té rustig misschien. Bas sliep veel. Hij kwam soms pas tegen half twaalf beneden, in joggingbroek, niet gedoucht. Dan zette hij koffie, maar dronk hij die koud op aan de keukentafel. Ik vroeg iedere keer of hij iets wilde eten en hij zei meestal: ‘Straks wel.’
Henk vond dat we hem moesten laten. ‘Niet zo moederen,’ zei hij dan zacht tegen mij, alsof ik Bas expres lastigviel.
Maar ik wist niet wat ik anders moest doen. Als ik niets vroeg, voelde het alsof ik hem in de steek liet. Als ik wel iets vroeg, zag ik hem dichtklappen.
Na een maand begon hij één keer per week naar zijn psycholoog te gaan. Henk bracht hem soms met de auto, ook al is het maar twintig minuten fietsen. Bas wilde niet fietsen. Hij wilde eigenlijk niets. Hij zat veel in de serre met de gordijnen half dicht, ook als buiten de zon scheen. Onze grote tuin, waar we zo trots op waren toen we dit huis kochten, werd iets waar hij doorheen keek zonder het te zien.
Ik had juist zo naar die tuin uitgekeken. Vijf jaar lang heb ik bijna dagelijks voor mijn ouders gezorgd. Eerst mijn vader na zijn beroerte, daarna mijn moeder met beginnende dementie. Boodschappen, ziekenhuisafspraken, pillendoosjes, administratie, ruzies met de thuiszorg omdat er weer iemand anders aan de deur stond. Ik deed het met liefde, echt. Maar toen mijn moeder overleed, was ik op.
Henk en ik waren allebei 62. Hij werkte nog drie dagen per week als uitvoerder bij een bouwbedrijf, ik was net gestopt in de thuiszorg. Geen afscheidsfeestje, geen grote plannen. Ik wilde gewoon ’s ochtends koffie drinken zonder dat er iemand op mij wachtte. Naar de markt in het dorp. In de tuin rommelen. Misschien in het najaar een weekje naar Texel.
In plaats daarvan begon ik weer te luisteren naar voetstappen op de overloop. Naar een deur die pas om drie uur ’s middags openging. Naar stilte die zo zwaar werd dat ik de radio aanzette terwijl niemand luisterde.
Het ergste is dat Bas niet lastig is. Hij schreeuwt niet. Hij drinkt niet. Hij maakt geen rotzooi. Hij biedt zelfs aan om de vaatwasser uit te ruimen, maar vergeet het dan of doet het midden in de nacht. Het is niet zijn gedrag op zichzelf. Het is dat alles in huis zich naar zijn stemming is gaan voegen.
Als Henk en ik lachen om iets onnozels op televisie, kijken we automatisch of Bas boven is. Als ik een vriendin wil uitnodigen voor koffie, denk ik: straks hoort hij ons en voelt hij zich buitengesloten. We praten zachter. We gaan minder vaak weg, omdat we hem niet alleen willen laten, hoewel hij daar misschien helemaal niet om vraagt.
En ik werd boos om kleine dingen. Om zijn lege mokken. Om handdoeken op de badkamervloer. Om het feit dat hij nooit vroeg hoe het met míj ging. Dat laatste vond ik zo kinderachtig van mezelf. Hij is depressief, dacht ik dan. Natuurlijk vraagt hij niet hoe het met jou gaat.
Maar op een ochtend in februari stond ik in de keuken en kon ik ineens niet meer stoppen met huilen. Niet netjes huilen. Echt dat lelijke, happende huilen. Henk kwam binnen en schrok.
‘Wat is er nou?’
Ik zei: ‘Ik kan dit niet nog een jaar.’
Hij werd meteen hard. Niet schreeuwen, Henk schreeuwt zelden, maar zijn gezicht ging dicht.
‘Dus Bas moet weg omdat jij rust wilt?’
Dat was niet wat ik zei, maar het was wel wat hij hoorde.
We hebben er dagen omheen gedraaid. Henk zei dat onze zoon ziek was en dat je een ziek kind niet op straat zet. Ik zei dat Bas niet op straat stond: hij had zijn eigen appartement nog, een inkomen via zijn werkgever en hij kreeg hulp. Alleen wonen was nu moeilijk voor hem, dat snapte ik. Maar ons huis was geen behandelcentrum en ik was zijn hulpverlener niet.
Uiteindelijk heb ik met Bas gepraat terwijl Henk boven lag te slapen na een vroege werkdag. Ik had het liever met z’n drieën gedaan, maar ik stelde het steeds uit en toen rolde het er zomaar uit.
Ik zei dat ik van hem hield, dat ik zag dat hij zijn best deed en dat ik wilde helpen zoeken naar een volgende stap. Misschien tijdelijk begeleid wonen vond ik zelf te groot klinken, dus ik noemde eerst een paar dagen per week terug naar Utrecht, of een vriend die hij af en toe kon zien. Ik ratelde maar door.
Bas keek naar zijn handen en zei: ‘Je wil gewoon dat ik wegga.’
Daar had hij natuurlijk gelijk in. Ik wilde niet dat hij uit mijn leven verdween. Ik wilde alleen niet meer iedere ochtend wakker worden met een knoop in mijn maag in mijn eigen huis.
Ik heb gezegd dat hij tot 1 juni bij ons kan blijven. Dat is over ruim twee maanden. We gaan samen met zijn behandelaar bespreken wat haalbaar is. Zijn werkgever heeft inmiddels een trajectbegeleider geregeld, en hij heeft sinds kort weer contact met een oud-collega die zelf ooit een burn-out had.
Henk praat nog steeds minder tegen mij. Hij helpt Bas ondertussen wel met het opruimen van zijn appartement, iets wat ik juist als een goed teken probeer te zien. Soms denk ik dat Henk vooral bang is dat Bas hem later zal verwijten dat wij niet alles hebben gedaan. Soms denk ik dat hij mij dat nu al verwijt.
Vanmorgen zag ik Bas voor het eerst in weken in de tuin staan. Hij had een oude jas van Henk aan en was bezig met de dode takken van de hortensia afknippen. Hij deed het niet bijzonder goed; hij had bijna een gezonde tak meegenomen. Maar hij stond buiten.
Ik heb niets gezegd. Ik heb koffie gezet, drie koppen, en ze op tafel laten staan tot hij zelf binnenkwam.