Na dertig jaar vrijdagavond werd mijn man niet meer uitgenodigd
De appgroep heet nog steeds Vrijdagclub, met een foto uit 1998 waarop we allemaal veel te rood zijn van de zon op Texel. Ik sta daarop met een spijkerbroek tot bijna onder mijn oksels en mijn man Bas heeft nog haar. Soms kijk ik ernaar voordat ik iets in die groep zet, alsof die oude foto me eraan herinnert hoe het ooit vanzelf ging.
We zijn met vier stellen. Al dertig jaar, min of meer. Eerst via de straat waar we woonden in Amersfoort, later bleven we elkaar zien toen iedereen verhuisde, kinderen kreeg, banen wisselde en ouders kwijtraakte. Vrijdag was heilig. Niet iedere vrijdag precies, want er waren vakanties en griep en kleinkinderen die ineens opgevangen moesten worden. Maar meestal wel. Om de beurt koken, een fles wijn meenemen, na het eten een kaartje leggen of gewoon te lang aan tafel blijven zitten.
Ik heb nooit gedacht dat die avonden bijzonder waren. Gewoon ons leven. Ria die altijd te veel saus maakt. Henk die al dertig jaar beweert dat hij geen toetje hoeft en dan toch twee keer opschept. Marloes die op haar sokken door het huis loopt omdat ze haar schoenen altijd uitdoet. Dat soort dingen.
Bas is sinds vorig voorjaar veranderd. Niet van de ene op de andere dag, al voelt het achteraf soms wel zo. Hij ging eerst naar een lezing in De Nieuwe Kolk in Assen, over klimaat en consumptie. Hij kwam thuis met een stapel folders en zei dat hij zich schaamde dat hij tot dan toe zo weinig had gedaan. Ik vond het eigenlijk mooi. Bas was altijd iemand die zich druk maakte om de wereld, maar meestal vanaf de bank, met de krant op schoot en een opmerking over ‘die politiek’.
Hij werd lid van een lokale klimaatgroep. Hij ging minder vlees eten, toen geen vlees meer, en uiteindelijk ook geen kaas en eieren. Hij zegde onze vliegvakantie naar Portugal af. Dat vond ik niet leuk, maar ik snapte het ergens wel. We zijn in plaats daarvan met de trein naar de Ardennen gegaan. Nat, duur en eerlijk gezegd had ik na drie dagen genoeg van die overstappen, maar we hebben ook gelachen.
Het moeilijke was niet eens wat hij veranderde. Het moeilijke was dat hij steeds minder kon verdragen dat anderen niet veranderden.
De eerste keer bij de Vrijdagclub was het nog klein. Henk had biefstuk gehaald bij de slager en Bas vroeg waar het vlees vandaan kwam. Niet nieuwsgierig, maar op die toon die hij tegenwoordig kan hebben, alsof iemand een fout antwoord geeft tijdens een examen.
‘Van de slager op de hoek,’ zei Henk.
Bas zei: ‘Ja, maar dat zegt natuurlijk niks.’
Er viel zo’n stilte waarin iedereen ineens heel druk naar zijn bord kijkt. Ria maakte een grapje over haar beroemde pepersaus. Daarna ging het over de verbouwing van hun badkamer. Tenminste, dat probeerden we. Bas begon over de hoeveelheid water die een regendouche gebruikt.
Ik schopte onder tafel tegen zijn been. Hij keek me aan alsof ik hém onredelijk vond.
Thuis zei ik dat hij best iets mocht zeggen, maar niet op die manier.
‘Op welke manier dan?’ vroeg hij. ‘Moet ik doen alsof het allemaal prima is omdat we anders een gezellige avond hebben?’
Ik zei dat gezelligheid niet hetzelfde is als liegen. Maar hij hoorde alleen dat ik wilde dat hij zijn mond hield.
Daarna werd het erger, al zou Bas dat woord niet gebruiken. Hij zegt dat hij eindelijk consequent is. Toen Marloes vertelde dat haar dochter en schoonzoon een tweedehands diesel hadden gekocht omdat ze anders de kinderen niet naar de opvang kregen, zei Bas dat we ons allemaal rijk rekenen met gemak die door anderen wordt betaald. Toen Pieter enthousiast vertelde over een cruise die ze met zijn zus wilden maken voor haar zestigste verjaardag, zei Bas dat hij daar echt niet blij van kon worden.
Pieter werd rood en zei: ‘Dan word jij er toch niet blij van.’
Dat was geen groot drama. Niemand schreeuwde. Juist dat maakte het zo naar. Er werd afgewassen terwijl er nog glazen op tafel stonden. Ria zette koffie terwijl niemand koffie wilde. Bas zat met zijn armen over elkaar en keek alsof hij het allemaal bevestiging vond van wat hij al dacht.
Ik schaamde me. Daar ben ik niet trots op. Want ergens schaam ik me ook voor de dingen waar Bas het over heeft. Voor hoeveel spullen we hebben, voor onze verre reizen vroeger, voor het gemak waarmee ik een plastic bakje aardbeien koop in januari. Maar ik schaamde me vooral omdat ik wist dat hij niet kwam om een gesprek te voeren. Hij kwam om gelijk te krijgen.
Twee weken geleden stuurde Ria me een berichtje. Geen lange lap tekst, gewoon: ‘Heb je deze week misschien tijd voor koffie? Even zonder de mannen.’
Ik wist het meteen.
We zaten bij haar aan de keukentafel. Ze had appeltaart gehaald bij de supermarkt, wat ze normaal nooit doet, en dat viel me op omdat Ria altijd zelf bakt. Ze had haar handen om haar mok gevouwen.
‘We willen je niet kwijt,’ zei ze.
Ik voelde mijn keel dichtgaan nog voordat ze verder sprak.
Ze vertelde dat zij, Marloes en de mannen erover hadden gehad. Dat ze Bas niet wilden buitensluiten als persoon. Dat ze hem ook niet wilden uitlachen om hoe hij leefde. Maar dat niemand zich nog ontspannen voelde op vrijdag. Henk had zelfs gezegd dat hij al buikpijn kreeg als hij wist dat Bas kwam.
‘Dat klinkt overdreven,’ zei ik meteen. Ik verdedigde Bas zonder na te denken.
‘Misschien,’ zei Ria. ‘Maar het is wel waar.’
Toen kwam de vraag waar ik nog steeds slecht van slaap. Of ik voorlopig alleen wilde komen. Misschien konden Bas en ik op andere momenten aansluiten, bij een wandeling of zo. Maar de vrijdagavonden, zei ze voorzichtig, wilden ze weer rustig hebben.
Ik heb gezegd dat ik erover na zou denken. Laf misschien. Maar wat moest ik anders? Ja zeggen voelde alsof ik mijn man achterliet. Nee zeggen voelde alsof ik een deur dichtdeed waar ik zelf misschien nooit meer doorheen kon.
Bas reageerde thuis eerst bijna opgelucht. ‘Dus ze willen geen discussie. Dat zegt genoeg.’
Ik werd daar zo boos van dat ik mijn tas op de grond heb gegooid. Niet hard, maar wel hard genoeg dat mijn portemonnee eruit viel en allemaal losse bonnetjes door de gang lagen.
‘Het gaat niet om discussie,’ zei ik. ‘Het gaat erom dat jij mensen afrekent in hun eigen huis, bij hun eigen eten.’
Hij zei dat ik hem vroeg om zich kleiner te maken. Ik zei dat hij van elke vrijdagavond een soort tribunaal had gemaakt. Dat was gemeen, en misschien ook overdreven. Hij keek alsof ik hem geslagen had.
Sindsdien praten we eromheen. Hij kookt zijn eigen dingen, ik eet meestal mee. Hij gaat op zaterdag naar bijeenkomsten in Zwolle of deelt berichten van zijn groep op Facebook. Ik ga soms even bij mijn zus koffie drinken, omdat ik niet de hele middag wil luisteren naar podcasts die uit de telefoon op het aanrecht schallen.
Aanstaande vrijdag zijn we eigenlijk bij Pieter en Marloes uitgenodigd. In de appgroep heeft Marloes gezet dat ze stamppot maakt, met een vegetarische optie. Daarna stuurde ze er snel achteraan: ‘Voor wie dat wil natuurlijk :)’ Het staat er zo onbeholpen dat ik er verdrietig van word.
Bas heeft nog niet gevraagd of we gaan. Misschien weet hij het antwoord al. Misschien wacht hij tot ik het zeg.
Ik heb mijn jas al over een stoel gehangen, alsof dat iets beslist. Maar om zes uur moet ik kiezen of ik hem aantrek en alleen naar Pieter en Marloes fiets, of dat ik in de keuken blijf staan terwijl Bas zijn linzencurry opschept. Geen van beide voelt als thuis.