Mijn vrouw sprak tijdens ons vriendenweekend uit wat ik alleen met haar had gedeeld

Wij noemen onszelf nog steeds de donderdagclub, al komen we al lang niet meer iedere donderdag. Vroeger wel. Toen waren we eind twintig, begin dertig, met kleine kinderen, te weinig geld en altijd iemand die te laat kwam omdat er nog een oppas niet was verschenen.

Nu zijn we met z’n achten, allemaal begin zestig. De kinderen wonen op zichzelf, behalve die van Peter en Els, die na een scheiding tijdelijk weer thuis zit. We eten om de beurt bij elkaar, gaan soms naar een tentoonstelling of wandelen op zondag. Eén keer per jaar een weekend weg. Niet chic. Meestal een groot huis via Natuurhuisje ergens in Drenthe, Limburg of de Achterhoek, met te veel slaapkamers en een keuken waar altijd één pan ontbreekt.

Henk en Lia horen er vanaf het begin bij. Henk was vroeger degene die alles regelde. Kaartjes voor een concert, een restaurant waar je net op tijd moest reserveren, de route voor een fietstocht. Hij kon zich zelfs herinneren wie in 1998 welke wijn had meegenomen naar een etentje. Daar maakten we hem altijd een beetje om belachelijk.

Sinds een maand of acht merkte ik kleine dingen op.

Niet één groot ding. Eerder van die momenten waar je eerst omheen praat in je hoofd. Hij stuurde drie keer dezelfde app over de datum van een diner. Hij vroeg tijdens een wandeling waar we de auto hadden neergezet, terwijl we nog geen tien minuten onderweg waren. Een keer wist hij ineens niet meer hoe de vrouw van onze oudste vriend heette. Karin. Hij kent Karin al langer dan hij Lia kent.

Hij lachte het zelf weg. “Mijn hoofd zit vol met pensioenonzin.” Hij had net besloten minder te gaan werken in zijn installatiebedrijf. Daar kon het aan liggen, zei ik tegen mezelf. Aan slecht slapen. Aan stress. Aan ouder worden, waar je op onze leeftijd ook niet voortdurend een diagnose van moet maken.

Maar tijdens een etentje bij ons thuis vertelde Henk voor de derde keer exact hetzelfde verhaal over een klant die een thermostaat met een afstandsbediening had verward. Zelfde zinnen bijna. Lia zat naast hem en haar hand stopte halverwege met het inschenken van wijn. Ze keek niet naar hem, maar naar het tafelkleed.

Later, toen de rest weg was en Marijke de vaatwasser aan het inruimen was, vertelde ik haar dat ik me zorgen maakte.

Ik zei niet meteen het woord dementie. Dat durfde ik niet. Ik zei: “Er klopt iets niet met Henk.”

Marijke deed de vaatwasser dicht en leunde ertegenaan. “Dat zie ik ook.”

Ik weet nog dat ik daar boos van werd, zonder goede reden. Alsof zij iets achterhield wat ik zelf pas net had toegelaten. Ze zei dat Lia er misschien alleen voor stond, dat we haar moesten vragen hoe het ging.

“Niet met de hele groep,” zei ik meteen.

“Nee, natuurlijk niet met de hele groep.”

Dat was in januari. Daarna kwam het steeds terug tussen ons, meestal als we in bed lagen en eigenlijk wilden slapen. Marijke vond dat ik Henk apart moest spreken. Of Lia. Ik vond dat wij niets zeker wisten en dat Henk geen project van ons moest worden.

“Als hij echt hulp nodig heeft, is wachten ook een keuze,” zei Marijke een keer.

Dat klonk verwijtend, al zei ze het rustig.

Ik heb Henk wel geprobeerd te bellen. Twee keer. Hij nam niet op en belde later terug alsof er niets was. Dan begon ik er toch niet over. Ik hoorde mezelf vragen hoe het met de zaak ging, of hij al zin had in het weekend in de Achterhoek. Laf misschien. Maar ik wilde niet degene zijn die hem ineens anders behandelde.

Begin april gingen we met z’n achten weg. Een oude boerderij buiten Lochem. Vrijdagavond regende het zo hard dat niemand nog een wandeling wilde maken. We zaten aan de lange tafel met stoofpot, bier, wijn en zo’n schaal rauwkost die altijd bijna onaangeroerd blijft.

Henk was die middag een tijd kwijt geweest. Niet verdwenen, maar hij was alleen naar de supermarkt gereden en kwam pas na anderhalf uur terug met twee zakken chips, vaatwastabletten en geen brood. Hij zei dat hij bij een rotonde verkeerd was gereden. Iedereen maakte er een grapje over.

“Volgende keer zetten we een AirTag aan je sleutelbos,” zei Peter.

Henk lachte mee, maar net iets te hard.

Na het eten begon Els over haar dochter. Daarna ging het over pensioenen, wat op dit moment blijkbaar onvermijdelijk is zodra acht mensen van boven de zestig bij elkaar zitten. Ik stond in de keuken glazen af te spoelen. Marijke zat naast Lia aan tafel.

Toen hoorde ik Marijke zeggen: “Lia, ik wil iets vragen en het is misschien niet leuk. Maar hoe gaat het écht met Henk?”

Het werd niet meteen stil. Eerst dacht ik nog dat het over zijn bedrijf ging. Toen zei Lia niets. Ze keek naar haar bord.

Marijke ging door. “Wij merken dat hij soms dingen vergeet. En vanmiddag ook. Misschien is het goed als jullie naar de huisarts gaan. Niet omdat we hem willen afvallen, maar omdat we ons zorgen maken.”

Ik weet nog dat ik een nat glas zo stevig vasthield dat het uit mijn hand gleed. Het viel niet kapot, maar het geluid was genoeg.

Henk keek Marijke aan alsof hij haar niet begreep. Daarna keek hij naar Lia.

“Heb jij dit met hen besproken?” vroeg hij.

Lia begon te huilen. Niet hard. Dat maakte het erger. Ze zei: “Ik weet niet meer wat ik moet.”

En daar zat ik dan, met de rest van de groep erbij, terwijl precies gebeurde wat ik had willen voorkomen. Henk werd rood en zei dat iedereen wel eens wat vergat. Peter zei dat Marijke alleen maar bezorgd was. Karin zei juist dat dit niet aan tafel had gemoeten. Els legde een hand op Lia’s arm, maar Lia trok die na een paar seconden terug.

Henk stond op en liep naar buiten. Zonder jas. Het was koud en nat. Ik ben achter hem aan gegaan, maar hij wilde niet praten.

“Dus jij wist dit,” zei hij uiteindelijk.

Ik zei dat ik me zorgen maakte, dat ik het met Marijke had besproken, maar dat ik niets had willen doen zonder hem of Lia.

Hij knikte een paar keer, alsof hij de woorden sorteerde.

“Jullie praten dus over mij alsof ik er niet ben.”

Daar had ik geen goed antwoord op. Want dat hadden we gedaan. Ook al was het uit zorg.

Die nacht sliep bijna niemand goed. De volgende ochtend ging Henk vroeg naar huis met Lia. Zij stuurde in de groepsapp alleen: ‘We hebben ruimte nodig. Alsjeblieft geen adviezen nu.’

Marijke en ik hebben die rit terug nauwelijks gesproken. Ik was woedend. Niet omdat ze zich zorgen maakte, dat deed ik ook. Maar omdat ze iets wat ik haar in vertrouwen had verteld, midden in de groep had neergelegd. Ze zei dat ze Lia zag verdrinken en dat ik bleef wachten op een perfect moment dat misschien nooit kwam.

Daar heeft ze waarschijnlijk deels gelijk in. Dat maakt het niet makkelijker.

Twee weken later belde Lia mij. Henk was bij de huisarts geweest en er zouden onderzoeken komen via de geheugenpoli. Ze vertelde het heel zakelijk, alsof ze een afspraak bij de garage doorgaf. Aan het eind zei ze dat ze Marijke nog niet kon spreken. “Niet omdat ik haar haat,” zei ze. “Maar ik schaam me nog te erg.”

De donderdagclub bestaat nog, technisch gezien. We hebben laatst met zes man gegeten. Peter en Els waren er niet; zij vonden dat we eerst met iedereen moesten uitpraten wat er gebeurd was. Karin is nog steeds boos op Marijke. Marijke zegt dat ze het anders had moeten doen, maar niet dat ze had moeten zwijgen.

Ik weet zelf niet eens meer precies wat ik vind. Soms denk ik dat Henk misschien eerder hulp krijgt doordat Marijke haar mond opendeed. Soms zie ik alleen zijn gezicht aan die tafel.

Volgende maand zouden we eigenlijk met z’n allen naar het Kröller-Müller gaan. De kaarten zijn nog niet geannuleerd. In de groepsapp zegt niemand er iets over.