Ik wil niet nog een keer betalen voor een vakantie die door onze vrienden al voor ons is bedacht
Ik heb de afgelopen weken drie keer naar hetzelfde berichtje in onze groepsapp gekeken zonder iets terug te sturen.
“Lieve allemaal, optie bij Hotel Miramar is voorlopig vastgezet! Wel snel beslissen, anders zijn we de kamers kwijt. Aanbetaling komt neer op 486 euro p.p. De kosten voor de lokale gids en onze voorbereiding verrekenen we later wel even. Kus, Inge en Rob.”
Met ‘onze voorbereiding’ bedoelt Inge waarschijnlijk de avonden waarop zij en Rob op internet hebben gezocht, een Excelbestand hebben gemaakt en zonder iemand echt iets te vragen een reis naar Portugal voor acht personen hebben uitgekozen. Tien dagen. Eind september. Vliegen vanaf Schiphol om 06.20 uur. Met twee georganiseerde dagtochten waar ik helemaal niet op zit te wachten.
Ik ben 62. Ik wil best op reis, ik kan die 486 euro ook betalen, al vind ik het geen kleingeld. Maar ik wil niet behandeld worden alsof ik een tas ben die je in de achterbak zet en die vanzelf wel meegaat.
Wij kennen Inge en Rob al sinds 1987, geloof ik. Mijn man Maarten werkte toen bij de gemeente in Amersfoort met Rob. Ik kende Inge aanvankelijk vooral als ‘de vrouw van Rob’, maar dat veranderde snel. We kregen ongeveer tegelijk kinderen, zaten bij elkaar op verjaardagen, gingen met z’n allen kamperen in Frankrijk. Later kwamen Esther en Kees erbij, en Jeroen en Saskia. Sinds de kinderen uit huis zijn, eten we meestal om de week bij iemand thuis. In de zomer doen we iets buiten de deur. Soms een concert, soms een weekendje weg.
Het was nooit perfect. Rob kon altijd al veel praten en Inge had overal een mening over. Maar vroeger kon ik daar ook om lachen. Zij regelde de barbecue, ik maakte een toetje, Esther vergat standaard de helft van haar boodschappen. Het had iets vertrouwds. We wisten wie er na twee glazen wijn sentimenteel werd, wie nooit te laat kwam en wie juist altijd.
De laatste jaren is het anders. Misschien is het geleidelijk gegaan en heb ik het te laat gezien.
Als we uit eten gaan, stuurt Inge vooraf een link naar een restaurant. Niet: “Zullen we hierheen?” Maar: “Ik heb gereserveerd bij De Witte, 19.00 uur.” Als iemand zegt dat hij geen zin heeft in dat soort eten, komt er een lange uitleg over hoe moeilijk het is om voor acht personen iets te regelen. Daarna zegt iedereen maar prima.
Bij gesprekken doet Rob ongeveer hetzelfde. Toen Jeroen vorig jaar vertelde dat zijn dochter misschien wilde scheiden, zei Rob binnen twee minuten dat jonge mensen tegenwoordig geen doorzettingsvermogen meer hadden. Jeroen zei daarna nauwelijks nog iets. Toen ik daar op de terugweg iets van zei, haalde Maarten zijn schouders op.
“Rob bedoelt het niet zo,” zei hij. “Je weet toch hoe hij is.”
Dat zinnetje hoor ik steeds vaker. Je weet toch hoe hij is.
Maar ik ben ook hoe ik ben. Ik heb gewoon niet altijd zin om de avond door te brengen met knikken terwijl Inge bepaalt dat we volgend voorjaar naar de Eifel gaan, omdat zij daar een leuke accommodatie heeft gezien. Of terwijl Rob uitlegt dat zonnepanelen onzin zijn en dat Maarten daar dan maar niet tegenin moet gaan, hoewel hij zich er voor zijn werk juist behoorlijk in heeft verdiept.
Maarten ergert zich ook. Dat weet ik heus wel. Thuis zegt hij soms: “Die man luistert echt naar niemand.” Maar zodra we bij elkaar zitten, lacht hij mee. Hij schenkt nog een glas in en verandert van onderwerp als het ongemakkelijk wordt.
Ik begrijp hem ook wel. Maarten is niet iemand die ruzie zoekt. Bovendien heeft hij een punt: vrienden maak je op onze leeftijd niet zomaar opnieuw. Hij is vorig jaar minder gaan werken en sinds januari helemaal met pensioen. Zijn collega’s ziet hij nog hooguit eens per kwartaal. Onze groep is voor hem een vaste pilaar. Een zaterdagavond zonder plannen vindt hij al snel kaal.
Voor mij voelt die vaste pilaar steeds meer als iets waar ik onder vastzit.
Toen dat bericht over Portugal kwam, zat Maarten aan de keukentafel de krant te lezen. Ik zei dat ik niet mee wilde. Niet op die manier.
Hij keek meteen op alsof ik had gezegd dat ik wilde verhuizen.
“Niet mee? Maar iedereen gaat toch?”
“Dat is dus precies het probleem. Iedereen gaat, omdat Inge al gereserveerd heeft voordat iemand iets kon zeggen.”
“Ze heeft er moeite voor gedaan.”
“En wij moeten nu ook nog betalen voor haar voorbereiding. Wat is dat eigenlijk?”
Maarten zuchtte. Hij zei dat ik het wel erg groot maakte. Dat we tien dagen zon konden gebruiken. Dat het onhandig was om nu nee te zeggen, want dan moesten zij misschien extra betalen voor de kamers. Dat laatste maakte me nog bozer, en ik weet dat dat kinderachtig klinkt. Alsof het mijn verantwoordelijkheid is dat iemand anders zonder overleg een hotel vastzet.
Ik zei dat ik best wilde bellen met Inge. Gewoon zeggen dat we graag zelf mee beslissen, en dat we deze reis te duur en te georganiseerd vinden. Misschien konden we iets anders doen. Misschien alleen een paar dagen. Misschien helemaal niet.
Maarten keek me aan en zei heel zacht: “Als jij dit zo brengt, komt het nooit meer goed.”
Dat deed meer pijn dan ik verwachtte. Niet omdat hij ongelijk had; misschien heeft hij zelfs gelijk. Inge kan slecht tegen tegenspraak. Rob zal er waarschijnlijk een grap over maken, iets als: “Nou, mevrouw wil zeker een referendum.” Daarna wordt het stil. Esther stuurt mij misschien privé dat ze het ergens wel begrijpt, maar in de groep zegt ze niks. Zo gaat dat altijd.
Ik heb die avond ook niet gebeld. Ik heb de telefoon op het aanrecht gelegd en pasta gekookt die te zacht werd. Maarten zei nauwelijks iets. Uiteindelijk vroeg hij of ik dan misschien alleen niet mee wilde, en of hij wel kon gaan.
Dat vond ik oprecht een afschuwelijke vraag. Niet omdat hij niet zonder mij weg mag. Natuurlijk mag dat. Maar omdat ik ineens zag dat we het niet alleen over een vakantie hadden. We hadden het over hoeveel ongemak we allebei bereid zijn te verdragen om bij die groep te blijven horen.
De volgende ochtend stuurde Inge in de app een lijstje met wie al had betaald. Achter onze namen stond een vraagteken. Daaronder schreef Rob: “Kom op lieverds, we worden geen watjes op onze oude dag.” Er kwamen lachende emoji’s van Kees en Saskia.
Ik heb toen getypt: “Maarten en ik willen er eerst even over praten. De reis is voor ons te snel en te veel vastgelegd.”
Ik heb het drie minuten aangekeken voordat ik op verzenden drukte. Daarna legde ik mijn telefoon in een la, alsof ik hem niet meer kon horen als hij daarin lag.
Inge belde niet. Ze stuurde alleen: “Jammer dat je het zo ervaart. Wij proberen juist altijd alles voor iedereen te regelen.”
Maarten vond dat ik nu terug moest schrijven dat ik het waardeerde. Misschien moet ik dat ook wel. Want het is waar dat zij veel regelen. En het is ook waar dat ik daar jarenlang graag gebruik van heb gemaakt.
Maar volgende week eten we bij Esther en Kees. Ik heb Maarten gezegd dat ik ga, maar dat ik niet ga doen alsof Portugal al besloten is. Hij knikte, al zag ik dat hij er misselijk van werd.
Vanmiddag heeft hij de wandelclub van dinsdag afgezegd omdat het regende. Hij zei dat het toch maar een beetje saai volk is. Ik heb niet gezegd dat hij misschien juist eens vaker met saai volk moet afspreken. Ik zette thee en liet het zo.