Onze beste vrienden vonden dat wij ‘nog vastzaten in materialisme’

Ik heb vorige week mijn oude toilettas weggegooid. Niet omdat ik opeens minimalist ben geworden, maar omdat het ritsje kapot was en ik er al maanden een elastiek omheen deed. Toch stond ik met dat ding in mijn hand ineens te huilen bij de afvalbak.

Die toilettas was mee geweest naar Lissabon, naar de Elzas, naar een huisje in Drenthe waar het drie dagen regende. Altijd met Henk en Marijke. Mijn man Kees en Henk kennen elkaar van de technische dienst bij de gemeente, nog van vóór hun eerste reorganisatie. Wij vrouwen konden het meteen goed vinden, wat lang niet altijd vanzelf gaat als mannen zeggen: “We nemen onze vrouwen mee.”

We zijn nu 68 en 70. De kinderen wonen al jaren op zichzelf, we hebben allebei een redelijk pensioen en geen enorme gekke dingen nodig. Maar wij vonden het fijn om af en toe iets te doen. Een weekend weg. Uit eten bij dat kleine visrestaurant in Harlingen. In november een middag in de sauna, daarna ergens een glas wijn met bitterballen. Niet iedere week, hè. Maar we hoefden ook niet meer overal voor te sparen zoals vroeger.

Met Henk en Marijke voelde dat altijd gelijkwaardig. Niemand deed moeilijk over geld, maar niemand liep ook te koop met wat hij had. Als wij een keer een iets duurdere kamer boekten omdat ik slecht slaap van een dun matras, zei Marijke: “Doe maar, ik ben ook geen twintig meer.” Zo waren we.

Het begon, denk ik, na corona. Marijke las veel over klimaat, verspilling en consumptie. Eerst stuurde ze artikelen door in onze groepsapp. Daarna vertelde ze dat ze geen nieuwe kleding meer kocht. Dat vond ik nog bewonderenswaardig. Ik koop zelf ook heus niet elke week iets. Maar toen kwamen de potten met gedroogde bonen, de tweedehands fietsen en het besluit dat ze niet meer zouden vliegen.

Kees raakte er opvallend door gegrepen. Hij zei dingen als: “Eigenlijk hebben ze wel een punt, Nel.” En: “Hoeveel spullen heeft een mens nou werkelijk nodig?”

Ik zei dan: “Dat mogen ze toch helemaal zelf weten?”

Daar ging het mis, want Kees hoorde daarin blijkbaar dat ik het niet serieus nam. Terwijl ik het best serieus nam. Ik wilde alleen niet dat onze hele levensstijl ineens als iets beschamends werd gezien omdat Marijke een documentaire had gekeken en Henk een boek over ontspullen had gelezen.

Voor onze jaarlijkse reis hadden we een weekje Puglia op het oog. Niet luxe-luxe, gewoon een kleinschalig hotelletje dat Marijke ooit op Instagram had gezien. Toen belde ze op. Ze zei dat ze er na lang nadenken van afzagen.

“Vliegen past gewoon niet meer bij hoe wij willen leven,” zei ze. “En eerlijk gezegd voelt zo’n vakantievlucht ook steeds minder goed.”

Ik zei dat ik dat snapte, hoewel ik het op dat moment helemaal niet snapte. Kees stelde voor om dan met de trein naar Duitsland te gaan. Henk vond dat prachtig. Ik zei ook ja, want wat moest ik anders? De groepsapp was al stil genoeg geworden.

Een paar dagen later bleek dat het niet alleen om vliegen ging. Marijke wilde niet meer in hotels slapen “waar elke dag handdoeken worden gewassen voor mensen die dat niet nodig hebben”. Restaurants vonden ze lastig vanwege verspilling en porties. Terrasjes waren volgens haar “toch vooral geld uitgeven voor iets wat je thuis ook kunt zetten”.

Ze stelde voor dat we in september met z’n vieren drie nachten in hun vouwwagen zouden gaan, op een natuurkampeerterrein bij Lochem. Zelf koken op een eenpitter. Geen stroomplek, want dat was niet nodig.

Ik weet hoe verwend dit klinkt, maar ik wilde het niet. Ik heb mijn hele werkende leven in een apotheek gestaan, vaak ook op zaterdag. Ik heb gekampeerd met kleine kinderen en natte slaapzakken. Ik heb een slechte heup. En ik houd van een bed dat niet kraakt als Kees zich omdraait. Dat is geen misdaad, vind ik.

Toen ik dat zei, werd Kees boos. Niet hard schreeuwen, dat doet hij nooit, maar hij kreeg die strakke mond.

“Je hoeft toch niet altijd comfortabel te zitten?” zei hij.

“Het gaat niet alleen om zitten. Ik wil gewoon niet doen alsof ik me schuldig moet voelen omdat ik graag een cappuccino op een terras drink.”

Hij keek me aan alsof ik iets heel oppervlakkigs had gezegd. Dat deed meer pijn dan ik wil toegeven.

We zijn uiteindelijk een middag bij Henk en Marijke gaan koffie drinken. Zij hadden gewone koffie hoor, met havermelk, en zelfgebakken koek die eerlijk gezegd best droog was. Marijke liet haar voorraadkast zien, omdat ik vroeg hoe ze alles organiseerde. Glazen potten, etiketten, een schrift waarin ze bijhield wat op moest. Ik zei dat ik het knap vond. Dat vond ik ook echt.

Maar daarna zei ze: “Het geeft zó veel rust als je niet steeds denkt dat je iets nodig hebt. Jullie zouden dat ook kunnen proberen.”

Ik lachte een beetje en zei dat mijn servieskast dan waarschijnlijk een probleem werd.

Henk zei: “Ja, maar daar zit het juist. Mensen denken dat herinneringen in spullen zitten.”

Ik weet nog dat ik naar mijn handen keek. Ik droeg een ring die ik van mijn moeder had gekregen. Niet duur, gewoon goudkleurig met een klein steentje. Ineens voelde ik me kinderachtig, alsof ik betrapt was.

Kees begon daarna thuis steeds vaker over dingen wegdoen. De airfryer kon weg, want de oven werkte ook. Mijn tijdschriftenabonnement was onzin. Hij wilde onze tweede auto verkopen, wat op zichzelf best bespreekbaar is, maar hij gooide alles op één hoop: milieu, geld, eenvoud, Henk en Marijke.

Het vervelende is dat hij ook gelijk had in een paar dingen. We hebben te veel glazen. Ik bestel soms een trui terwijl er nog drie bijna dezelfde in de kast liggen. En ik vond het vroeger belangrijker dan ik wilde toegeven dat we met die vrienden overal samen kwamen. Als mensen vroegen wat we gingen doen in het weekend, kon ik zeggen dat we met Henk en Marijke weg waren. Dat klonk misschien stom, maar het gaf me het gevoel dat we nog meetelden, nu je niet meer werkt en de kinderen hun eigen leven hebben.

De echte klap kwam via een bericht van Marijke. Niet eens tijdens een ruzie. Ze schreef dat ze voorlopig liever geen gezamenlijke uitjes meer deden, omdat ze merkten dat onze keuzes “te ver uit elkaar lagen”. Daarna kwam die zin: dat ze tijd wilden steken in mensen die niet nog vastzaten in materialisme.

Ik heb het bericht drie keer gelezen. Kees zei eerst niets. Later zei hij dat Marijke het waarschijnlijk ongelukkig had geformuleerd.

“Maar ze bedoelt het wel,” zei ik.

Hij knikte toen.

Sindsdien heeft Kees Henk nog twee keer alleen gezien. Een keer hebben ze samen gefietst en een keer hielp Kees hem een oude kast naar de kringloop brengen. Hij komt dan thuis met verhalen over hoe rustig Henk is geworden. Alsof rust iets is wat je kunt oplopen door je schoenen langer te dragen.

Vorige zondag stelde Kees voor om onze reis naar Puglia toch te annuleren. Hij zei niet dat het om Henk en Marijke ging. Hij zei dat het geld scheelt en dat we ook met de trein naar Oostenrijk konden, of gewoon een huisje in Limburg.

Ik heb gezegd dat hij mag gaan fietsen met Henk, zo vaak als hij wil. Maar dat ik niet mijn leven kleiner ga maken zodat iemand anders weer bij ons aan tafel wil zitten.

Daarna hebben we allebei afgewassen zonder nog iets te zeggen. De vaatwasser was kapot, toevallig. Kees droogde de glazen af en zette ze heel zorgvuldig terug in de kast.

Ik heb Puglia nog niet geannuleerd. De aanbetaling kan tot eind van de maand terug. Misschien gaan we samen. Misschien ga ik met mijn zus. Misschien blijf ik thuis, omdat ik er geen zin meer in heb zonder hoe het vroeger was.

Maar die toilettas is wel weg. En ik mis hem nog steeds, wat waarschijnlijk precies is wat Henk zou bedoelen.