Mijn vrouw wil dat we onze pensioenplannen opgeven voor onze beste vrienden
Vorige week stond ik met een rolmaat in onze slaapkamer omdat we eindelijk zouden gaan kijken of dat bed in de camper past. Geen luxe camper trouwens, gewoon een tweedehands busje waar ik al anderhalf jaar filmpjes over zit te kijken. Mijn vrouw Els kwam binnen, zag me op mijn knieën bij het bed en zei: „Je hoeft niet meer te meten. We gaan voorlopig nergens heen.”
Ik wist meteen dat het over Marianne ging.
Els en ik zijn allebei 62. We kennen Marianne en Kees al sinds 1984, toen we met z’n vieren op een veel te natte camping in Bretagne stonden. Kees had zijn tentstok vergeten en sliep de eerste nacht half onder een zeil dat Els en Marianne met wasknijpers aan onze vouwwagen hadden vastgemaakt. Het werd een vakantie waar we nog steeds om lachen.
Daarna kwamen de kinderen, banen, verbouwingen, ouders die ziek werden. We woonden eerst in dezelfde straat in Amersfoort en later, toen zij naar Zeist verhuisden, nog steeds op twintig minuten rijden. Er is bijna geen fase in ons leven waarin zij niet ergens aanwezig waren. Kees tilde de bank toen wij verhuisden. Marianne zat bij Els in de keuken toen Els haar moeder net verloren had. Wij hebben hun jongste, Ruben, regelmatig van school gehaald toen Marianne na een operatie weken nauwelijks kon lopen.
Dus nee, ik doe niet alsof het zomaar kennissen zijn. Het zijn onze mensen. Misschien wel meer familie dan een deel van onze echte familie.
Maar sinds Marianne vorig jaar de diagnose Parkinson kreeg, is er iets verschoven. In het begin viel het mee. Ze was trager, had last van een stijve arm, liet eens een kopje vallen. Kees deed luchtig, zoals hij altijd doet. „Ze wint eindelijk niet meer met rummikub.” Marianne schopte tegen zijn scheen en lachte mee.
In de maanden daarna gingen de vragen steeds verder. Of ik Kees even naar de garage kon brengen. Of Els mee kon naar het ziekenhuis omdat Marianne niet alleen wilde wachten. Of wij op zaterdag konden komen, want de thuiszorg zou pas maandag weer langskomen en Kees moest naar zijn broer in Zwolle. Dat soort dingen.
Los van elkaar waren het geen onredelijke verzoeken. Ik heb zelf ook geholpen. Boodschappen gedaan, een handgreep in de badkamer gemonteerd, een middag bij Marianne gezeten terwijl Kees naar een crematie moest. Alleen werd het geen uitzondering meer. Mijn telefoon ging soms al om half acht. Dan zag ik Kees’ naam en voelde ik, nog vóór ik opnam, irritatie. Daar schaam ik me voor.
Els niet. Of misschien voelt zij het ook wel, maar zij duwt het weg.
Zij is vorig jaar gestopt als verzorgende in een verpleeghuis. Ze heeft haar hele werkende leven klaar gestaan voor andere mensen. Ik dacht eerlijk gezegd dat ze daar na haar pensioen wel genoeg van zou hebben. Maar bij Marianne lijkt ze weer direct in die stand te schieten. Ze maakt soep, zet pillendoosjes klaar, belt achter dingen aan die Kees vergeet. Als ik zeg dat het veel wordt, kijkt ze me aan alsof ik iets heel kils zeg.
„Wat moeten ze dan?” vroeg ze laatst.
„Er is thuiszorg. Er is de huisarts. Er zijn hulpmiddelen. Ruben woont ook in Utrecht.”
„Ruben heeft een gezin en een drukke baan.”
„Wij zijn geen zorginstelling, Els.”
Dat kwam er harder uit dan ik wilde. Zij zei toen niets meer. Ze ruimde de vaatwasser in met veel meer geluid dan nodig was.
De echte klap kwam twee weken geleden. We zaten bij Marianne en Kees aan tafel. Marianne had appeltaart gehaald van de bakker, want zelf bakken lukt haar niet meer goed. Ze zag er moe uit, dunner ook. Kees praatte vooral over de tuin die hem boven het hoofd groeide.
Toen zei Marianne dat er verderop in hun wijk een gelijkvloerse huurwoning vrijkwam. Klein, twee slaapkamers, een tuintje. Zij wist via iemand van de woningcorporatie dat de huidige bewoner binnenkort naar een zorgappartement ging.
„Het zou toch eigenlijk ideaal zijn als jullie daar konden wonen?” zei ze.
Ik dacht eerst dat ze een grap maakte. Onze vrienden wonen in een rijtjeshuis aan een drukke weg. Wij wonen nu in een hoekwoning met een tuin waar ik eindelijk tijd voor heb. We zijn juist aan het rondkijken in Drenthe en Overijssel, niet om meteen te verhuizen misschien, maar wel omdat we allebei altijd hebben gezegd dat we later rustiger wilden wonen. Bos in de buurt. Fietsen zonder eerst langs zes rotondes te moeten.
Marianne ging verder, alsof ze het al helemaal had uitgedacht.
„Dan hoeven we niet steeds te vragen of jullie helemaal deze kant op willen komen. En als er iets is, dan zijn jullie dichtbij. Gewoon even koffie, of een boodschap. Dat geeft mij zo’n rust.”
Els keek naar mij. Niet geschrokken. Eerder afwachtend.
Kees zei: „Alleen als jullie dat zelf zouden willen natuurlijk.” Maar hij zei het zo zacht dat ik niet wist of hij het werkelijk meende.
Ik heb iets gemompeld over dat we daar niet zomaar antwoord op konden geven. Daarna ging het over de fysiotherapeut, geloof ik. Ik was er niet meer goed bij. Ik zat alleen maar te denken aan onze spullen in dozen, aan een kleiner huis waar ik niet wilde wonen, aan elke ochtend dat ik wakker zou worden met het gevoel dat ik paraat moest staan.
In de auto zei Els: „Het is niet zo gek wat ze vragen.”
Ik zei: „Jawel, Els. Het is ontzettend veel gevraagd.”
Ze draaide haar hoofd naar het raam. „Ze is bang.”
„Dat snap ik. Maar angst van Marianne kan toch niet betekenen dat wij ons hele leven eromheen bouwen?”
„Ons hele leven? Alsof je een martelaar wordt als je twintig minuten verderop woont.”
Daar ging het mis. Ik zei dat zij blijkbaar al besloten had dat onze plannen ‘luxe’ waren. Dat een camper en een paar maanden weg willen geen kinderachtige hobby zijn, maar precies waarom ik veertig jaar bij dezelfde installateur heb gewerkt. Ik heb nachtdiensten gedraaid, doorgewerkt met een hernia, vakanties uitgesteld omdat de kinderen studeerden. Ik wil niet dat de jaren waarin ik nog fit ben veranderen in wachten op een telefoontje.
Els begon te huilen. Niet hard. Ze veegde haar gezicht af met haar mouw en zei: „En ik wil niet dat Marianne het gevoel krijgt dat ze iedereen kwijtraakt zodra ze moeilijk wordt.”
Daar had ik geen goed antwoord op.
Want dat wil ik ook niet. Ik wil haar niet kwijt. Ik wil Kees niet alleen met alles laten zitten. Maar ik wil ook niet doen alsof hulp alleen bestaat als Els en ik het leveren. Ruben komt misschien niet elke week, dat klopt. Zijn zus woont in Groningen. Toch zijn zij kinderen, en wij zijn vrienden. Dat verschil voelt lelijk om hardop te maken, maar het bestaat wel.
Gisteren heb ik, zonder dat Els het wist, informatie opgezocht over een onafhankelijke cliëntondersteuner en over uitbreiding van thuiszorg. Niet omdat ik Marianne wil wegstoppen bij professionals. Juist omdat ik denk dat Kees en Marianne meer nodig hebben dan twee vrienden die steeds improviseren wanneer het uitkomt. Een douchestoel en een paar boodschappen lossen niet op wat er waarschijnlijk aankomt.
Vanavond gaan we weer naar hen toe. Els wil het over die woning hebben. Ik heb de papieren nog niet gezien en ik weet niet eens of wij er überhaupt voor in aanmerking zouden komen. Maar ik weet wel dat ik nee wil zeggen tegen verhuizen.
Ik ben alleen bang dat Els dat niet hoort als een nee tegen een huis. Dat ze het hoort als een nee tegen Marianne. En misschien, als ik eerlijk ben, hoor ik haar vasthouden aan Marianne soms als een verwijt aan mij: dat ik blijkbaar makkelijker weg kan lopen dan zij.
De camperbrochure ligt nog op tafel. Ik heb hem dichtgeslagen toen Els vanmorgen beneden kwam. Niet omdat ik van gedachten ben veranderd, maar omdat ik geen zin had om weer te moeten uitleggen waarom ik ernaar kijk.