Na veertig jaar vriendschap staat ons plan voor een huisje ineens tussen ons in

Ik heb afgelopen zondag de groepsapp met Kees en Marjan op stil gezet. Niet omdat er iets verschrikkelijks in stond. Juist niet. Er kwam een foto voorbij van hun kleinzoon Mees, met een veel te grote voetbalbroek aan, en daaronder een bericht van Marjan: “Hij vraagt nog steeds wanneer hij in óns huisje mag slapen.”

Ik heb ernaar gekeken met mijn telefoon in mijn hand en ik kon niks terugsturen. Theo zat tegenover me aan de eettafel de krant te lezen, of hij deed alsof. Sinds hij in januari stopte bij de technische dienst van het ziekenhuis, zit hij vaak met de krant voor zich zonder een bladzijde om te slaan.

Wij zijn met z’n vieren al sinds 1984 bevriend. Theo kende Kees van de voetbal. Ik kende Marjan eerst alleen als “de vrouw van Kees”, maar binnen een jaar stonden we samen op de camping in Frankrijk, met twee kleine kinderen die elkaar zand in de ogen gooiden. Later werden die kinderen pubers, gingen ze studeren, kwamen er schoonkinderen en nu zijn er kleinkinderen. We hebben elkaar door banenverlies, een miskraam van Marjan, de ziekte van Theo’s moeder en de scheiding van onze oudste geholpen. Niet altijd mooi of wijs, maar we waren er.

Kees en Marjan zijn geen familie, maar als er iets gebeurt, zijn zij de eersten die ik bel. Of dat waren ze, moet ik misschien zeggen. Dat klinkt groter dan het is, maar zo voelt het nu wel.

Het idee van een huisje ontstond twee jaar geleden aan onze keukentafel. Geen villa in Zeeland met een zwembad of zoiets. Gewoon een eenvoudige recreatiewoning op een park in Drenthe of Overijssel, waar de kinderen met hun gezinnen een weekend heen konden en waar wij ook af en toe konden zitten als het thuis allemaal wat stil werd. Kees had een spreadsheet gemaakt. Natuurlijk had Kees een spreadsheet gemaakt. Hij is zijn hele leven financieel medewerker geweest.

We zouden ieder een kwart inleggen, alles officieel laten vastleggen en de vaste lasten ook eerlijk delen. Als één van ons eruit wilde, zouden de anderen eerst de kans krijgen dat deel over te nemen. We hebben daar eindeloos over gepraat, soms met wijn erbij, soms met printjes op tafel. Uiteindelijk vonden we een huisje bij Diever. Niet groot, wel een fijne tuin en een schuurtje voor fietsen. We hadden al twee keer gekeken. Marjan zag zichzelf daar al met haar kleindochter pannenkoeken bakken.

Theo zei steeds dat het goed kwam met zijn deel. Hij had spaargeld, een kleine ontslagvergoeding en zijn pensioen viel iets gunstiger uit dan verwacht. Ik geloofde hem ook. Ik wist dat hij na zijn werk iets voor zichzelf wilde. Die laatste jaren in het ziekenhuis waren zwaar geweest, met storingen, personeelstekort en altijd weer een telefoon die afging als we net ergens zaten.

Wat ik niet wist, of misschien niet goed genoeg wilde weten, was hoe ver hij met zijn schilderplannen al was.

Theo schildert al vanaf zijn twintigste. Landschappen vooral, oude schuren, water, soms een portret waar hij dan weken ontevreden over is. Zijn hobbykamer boven stond jarenlang vol met tubes verf, kromgetrokken doeken en spullen die hij op Marktplaats kocht. Na zijn pensioen zei hij dat hij die kamer wilde aanpakken. Goede verlichting, een grote werktafel, misschien beneden de aanbouw erbij trekken. Hij wilde ook workshops geven. Eerst aan bekenden, later misschien via het buurthuis.

Ik vond dat prachtig voor hem. Echt. Hij is nooit iemand geweest die makkelijk ruimte inneemt. Als hij eindelijk iets wilde dat helemaal van hem was, wie was ik dan om meteen op de rem te trappen?

Maar toen Kees belde dat de verkoper van het huisje akkoord was met de prijs en dat we binnen drie weken naar de notaris moesten, werd Theo stil. Hij liep naar boven, kwam terug met een map en ging aan tafel zitten.

“Ik moet jullie iets vertellen,” zei hij.

Hij had al ruim twintigduizend euro in het atelier gestoken. De verbouwing was duurder uitgevallen. Er moest elektra aangepast worden, isolatie, een dakraam, een afzuigsysteem omdat hij ook met olieverf werkt. En hij had materiaal gekocht voor de cursussen. Ezels, krukjes, verf. “Dat komt terug,” zei hij, terwijl hij het zei alsof hij zichzelf geruststelde. “Niet meteen, maar uiteindelijk wel.”

Ik weet nog dat ik alleen maar naar zijn handen keek. Verfvlekken in de randjes van zijn nagels. Hij had het atelier zelf geschilderd, gebroken wit. Ik had hem daar zo trots zien staan.

“Dus je kunt niet betalen?” vroeg ik.

“Niet alles nu. Een deel wel. Als Kees en Marjan tijdelijk iets meer doen, kan ik dat binnen twee, drie jaar rechttrekken.”

Ik werd eerst boos. Niet om het schilderen, maar omdat hij dit niet eerder had gezegd. We hadden samen naar dat huisje gekeken. Hij had meegepraat over gordijnen, nota bene. Theo zei dat hij dacht dat hij het wel rond zou krijgen en dat hij geen gedoe wilde maken voordat het nodig was. Dat is typisch Theo. Problemen pas benoemen als ze al op tafel liggen.

Het gesprek bij Kees en Marjan was vorige week donderdag. Marjan had koffie gezet en er stond appeltaart, maar niemand raakte die aan. Kees had zijn laptop open. Theo legde uit dat hij zijn geld niet kwijt was, alleen vastgelegd in het atelier. Hij zei dat het huisje ook later nog kon, of dat zij misschien tijdelijk een groter aandeel konden nemen.

Kees keek niet eens kwaad. Dat was bijna erger.

“Maar Theo, wij hebben ook gerekend,” zei hij. “Wij hebben onze bijdrage niet zomaar op een rekening liggen omdat we niks leuks voor onszelf bedenken. Wij hebben er rekening mee gehouden.”

Marjan zei dat ze best begreep dat Theo wilde schilderen. Ze vond het atelier ook mooi. Maar ze zei ook: “Je hebt ons niet gevraagd of we dit konden en wilden opvangen. Je hebt het gewoon al gedaan.”

Theo werd rood. Hij kan slecht tegen het gevoel dat hij iemand teleurstelt en dan gaat hij juist kort praten. “Ik vraag het nu toch?” zei hij.

Dat was geen handige zin.

Kees zei dat ze niet wilden beginnen met een constructie waarin één stel meer risico liep. Hij had gelijk, daar hoef ik niet moeilijk over te doen. Als wij later niet konden betalen, zaten zij ermee. En als er iets met één van ons gebeurde, werd het nog ingewikkelder. Een recreatiewoning samen bezitten is al ingewikkeld genoeg, zei hij. Ook dat klopt.

Toen kwam het voorstel dat ik nog steeds in mijn hoofd hoor: of wij betalen ons volledige deel bij de notaris, of zij kopen het huisje met z’n tweeën. Misschien konden wij later aansluiten als we ons aandeel konden financieren, maar dan tegen de waarde van dat moment.

Theo zei niks meer. Ik ook niet meteen. Ik voelde me vooral schaamachtig, terwijl ik zelf geen euro had uitgegeven.

Op de terugweg in de auto zei ik tegen Theo dat Kees en Marjan ons niet eruit zetten omdat ze ons niks gunnen. Hij zei dat ik altijd hun kant koos zodra het lastig werd. Daar schrok ik van. Ik heb hem daarna verteld dat ik juist bang ben dat hij denkt dat ik zijn atelier afkeur. Dat doe ik niet. Ik vind het alleen moeilijk dat zijn droom nu een rekening bij onze vrienden neerlegt.

Hij heeft zich daarvoor verontschuldigd, de volgende ochtend al. Niet heel uitgebreid. Hij stuurde Kees een bericht dat hij begreep dat ze niet meer wilden inleggen en dat hij had moeten overleggen vóór hij begon. Kees antwoordde pas uren later: “Dank je. We moeten even nadenken.”

Sindsdien is het stil. Veel stiller dan ik gewend ben. Normaal sturen Marjan en ik elkaar foto’s van aanbiedingen bij de Lidl, klachten over onze knieën, domme dingen die de kleinkinderen zeggen. Nu zie ik haar online en denk ik drie keer na voordat ik iets stuur.

Theo geeft ondertussen zijn eerste proefles aan vier mensen uit de buurt. Hij heeft flyers bij de bibliotheek gelegd. Gisteravond kwam hij beneden met verf op zijn wang en zei hij dat een vrouw uit de straat eindelijk begreep hoe ze een boom niet als een broccoli moest schilderen. Hij moest er zelf om lachen. Ik ook, ondanks alles.

Kees en Marjan hebben laten weten dat ze doorgaan met het huisje, maar dat ze nog niet weten of ze het zonder ons kopen of helemaal laten schieten. Ik kan ze dat niet kwalijk nemen. Ik weet ook niet of ik het zou aandurven als onze rollen omgedraaid waren.

Vanmiddag ga ik toch Marjan bellen. Niet om haar over te halen en ook niet om te doen alsof het allemaal wel meevalt. Ik wil alleen vragen hoe het met haar is. Misschien neemt ze niet op. Dan laat ik geen heel verhaal achter, alleen dat ik aan haar denk.

Theo is boven bezig. Ik hoor iets vallen, gevolgd door gemompel. Waarschijnlijk een pot terpentine of een kwast. Over een uur komt zijn tweede cursist. Ik zet koffie en haal de koektrommel uit de kast, zoals ik altijd doe als er mensen komen.