Onze dochter wil terug naar Nederland, maar alleen als wij ons huis opgeven
Vorige maand stond ik op een maandagmiddag op een keukentrapje om de lamp boven het aanrecht te vervangen. Niets bijzonders, zou je zeggen. Ik stond daar vaker. Maar deze keer hield Marijke de trap vast alsof ik op een dakrand balanceerde.
“Doe nou niet zo moeilijk,” zei ik.
“Je handen trillen,” zei ze.
Dat deden ze ook een beetje. Niet door de leeftijd, hield ik mezelf voor, maar omdat het ding altijd klem zit. Toch bleef dat moment hangen. Niet vanwege die lamp, maar omdat onze dochter Eva diezelfde avond belde en Marijke het blijkbaar verteld had.
Eva woont al twaalf jaar in Göteborg, met haar man Jonas en onze twee kleinkinderen, Mees van negen en Liva van zes. Ze hebben het daar goed. Jonas werkt bij een bedrijf in duurzame energie, Eva is fysiotherapeut. In de zomers komen ze meestal drie weken en met kerst soms nog een week, als de vluchten niet belachelijk duur zijn. Tussendoor videobellen we. Dat gaat prima, zeggen we altijd. Maar videobellen is toch vooral kijken hoe Liva een tand mist en hoe Mees ineens een andere stem heeft.
Wij wonen in een vrijstaand huis aan de rand van Veenendaal. Geen villa, zoals Eva het soms overdreven noemt, maar wel ruim. We kochten het in 1989, toen het nieuwbouw was en er achter ons nog een stuk weiland lag. Nu staan er woningen, maar onze tuin is nog steeds diep. Te diep misschien. Er staan appelbomen die mijn vader heeft geplant, een oude schommel waar Eva vanaf gevallen is toen ze zeven was, en achterin een schuurtje dat ik veel te groot heb gebouwd omdat ik toen dacht dat ik overal tijd voor zou hebben.
Ik ben 71. Marijke is 69. Zij is vorig jaar gestopt bij de bibliotheek en ik ben al zes jaar met pensioen na mijn werk bij de gemeente. We zijn niet hulpbehoevend. Ik fiets nog drie keer per week, Marijke zwemt op donderdagochtend. We rijden auto. We doen boodschappen. Alleen, ja, de heg wordt ieder jaar hoger en de goten maken we niet meer zelf schoon. Daar huren we tegenwoordig iemand voor in. Dat vind ik geen nederlaag. Dat heet ouder worden met een beetje gezond verstand.
Eva begon tijdens dat telefoontje niet meteen over het huis. Eerst vroeg ze hoe het met mijn schouder ging. Daarna of wij al iets hadden geregeld voor “later”. Ik heb een hekel aan dat woord gekregen. Later is een soort kamer waar iedereen je alvast in wil duwen.
Toen zei ze dat zij en Jonas serieus nadenken over terugkomen naar Nederland. Niet volgende maand, maar misschien binnen twee jaar. De kinderen zouden dan naar school kunnen in Veenendaal. Eva mist haar moeder, zei ze. En ze wil niet dat wij ouder worden op afstand.
Dat raakte me, natuurlijk. Ik hoorde Marijke aan de andere kant van de tafel zachtjes zeggen: “Ach meisje.”
Maar toen kwam haar plan.
Zij zouden in ons huis kunnen wonen. Wij zouden een nieuw seniorenappartement kunnen kopen of huren, vlak bij het centrum, gelijkvloers, met een lift en alles dichtbij. Eva had al gekeken op Funda. Er kwam binnenkort iets vrij aan het Kees Stipplein, twee slaapkamers, balkon op het zuiden. “Ideaal voor jullie,” zei ze. “En dan zijn we bij elkaar in de buurt. Wij kunnen de tuin doen, de grote dingen in huis, jullie meenemen als er iets is. Het is toch veel logischer?”
Ik wist even niet wat ik moest zeggen. Alsof ze niet over een mogelijkheid sprak, maar over een verhuizing die al in gang was gezet.
Marijke vroeg: “Maar waarom zouden jullie niet gewoon zelf iets zoeken?”
Eva zuchtte. Niet hard, maar ik hoorde het wel. “Mam, jullie huis is groot genoeg voor ons. En voor jullie is het juist te groot. Als we allemaal apart iets gaan regelen, wordt het financieel veel ingewikkelder. Bovendien blijft het huis in de familie.”
Dat laatste vond ik een vreemde opmerking. Het huis is toch al in de familie? Wij wonen er nog.
Sindsdien komt het onderwerp steeds terug. Eerst voorzichtig, daarna minder voorzichtig. Eva stuurde links naar appartementen. Jonas belde mij apart om te zeggen dat hij het echt geen “huis afpakken” vond. Daar had ik het woord zelf niet eens voor gebruikt. Hij zei dat zij in Zweden geen toekomst zagen, maar dat ze alleen terug wilden als er een stevig plan lag. Ik begreep hem ergens ook wel. Een gezin met twee kinderen verhuis je niet zomaar van land naar land voor een huis waarvan je niet weet of je het kunt betalen.
Maar ik ben geen onderdeel van hun financiële plan. Daar zit blijkbaar mijn boosheid.
Marijke twijfelt meer dan ik. Ze mist Eva ontzettend. Als de kinderen hier zijn, ligt er overal Lego, zitten er natte handdoeken op de badkamergrond en is het huis ineens weer lawaaierig. Daarna is het dagenlang stil. Marijke zegt soms dat een appartement ook rust zou geven. Minder schoonmaken, geen bladeren, geen zorgen over een kapotte cv-ketel.
Dan loopt ze naar buiten, kijkt naar de seringen die bijna bloeien, en zegt ze niets meer.
Ik maak het ook niet makkelijk, dat weet ik. Toen Eva in februari hier was, liep ze met haar tablet door de woonkamer om iets te laten zien van een appartement. Ik zei: “Je hebt het al helemaal verdeeld, hè? Onze slaapkamer wordt zeker jullie werkkamer?”
Ze keek me aan alsof ik haar een klap had gegeven.
“Pap, zo bedoel ik het niet.”
“Maar je hebt er wel over nagedacht.”
Toen begon ze te huilen, heel boos. Eva huilt normaal niet snel. Ze zei dat wij alleen maar doen alsof alles nog jaren hetzelfde blijft, terwijl zij straks degene is die vanuit Zweden op en neer moet als er iets gebeurt. Dat ze niet wil wachten tot een buurvrouw ons op de grond aantreft. Ik vond dat vreselijk om te horen en zei iets gemeens terug: dat ze dus alleen wil helpen als wij eerst plaatsmaken.
Dat was niet eerlijk. Of misschien niet helemaal.
De volgende ochtend vertrokken zij eerder dan gepland naar Schiphol. Mees gaf me een snelle knuffel omdat hij in de auto al met zijn Nintendo bezig was. Liva vroeg of ze in de zomer weer in “haar” kamer mocht slapen. Dat is de kleine kamer naast onze slaapkamer, waar Eva vroeger zat te leren voor haar eindexamen. Ik zei natuurlijk ja. Daarna heb ik in de hal nog lang naar haar oude groeistreepjes op de deurpost gekeken. Die hadden we ooit met potlood gezet. Marijke wil al jaren dat ik de deur schilder, maar ik doe het niet.
Vorige week belde Eva weer. Rustiger nu. Ze zei dat ze niet wil dreigen, maar dat ze niet kan beloven dat ze vaak kan komen helpen als zij in Zweden blijven en wij hier blijven wonen zoals nu. Ze heeft haar werk, de kinderen, de overtocht. “Ik kan niet alles oplossen vanaf daar,” zei ze.
Ik snap dat. Echt. Alleen klinkt het alsof wij nu moeten beslissen uit angst voor een versie van onszelf die nog niet bestaat.
Morgen komt er iemand van een verhuisadviesbureau langs, op aandringen van Marijke. Niet om iets te tekenen, zegt ze, alleen om te horen wat er mogelijk is. Ik heb ja gezegd, vooral omdat ik haar niet het gevoel wil geven dat ik alles blokkeer.
Vanmiddag heb ik wel eerst de achterpoort gerepareerd. Het hout onderaan was rot. Ik had er langer over gedaan dan vroeger en mijn rug voelde het meteen. Marijke zette zonder iets te zeggen een kop koffie voor me neer.
Daarna vroeg ze of ik de appelboom dit jaar nog wilde snoeien.
Ik zei dat ik dat best kon.
Maar we keken allebei naar buiten en wisten dat dat niet echt haar vraag was.