Na twee jaar hulp zei ik dat zaterdag weer van ons mocht zijn
De zaterdag waarop ik het heb gezegd, stond ik om half tien al aardappels te schillen voor drie personen, terwijl Pieter nog in zijn badjas de krant zat te lezen. Buiten miezerde het. Zo’n grijze novemberdag waarop je normaal gesproken nergens heen hoeft en dat juist prettig vindt.
Toen keek ik op mijn telefoon. Een bericht van Erik, om 08.47 uur al.
‘Hoe laat zijn jullie er? Ik heb vannacht nauwelijks geslapen.’
Daaronder, twintig minuten later: ‘Hallo?’
Ik ken Erik sinds 1986. Pieter werkte toen bij de technische dienst van het ziekenhuis in Zwolle en Erik kwam daar net in dienst. De vier van ons trokken al snel met elkaar op: wij met onze twee dochters nog klein, Erik en Marjan met hun zoon Koen. Kamperen in Frankrijk, verjaardagen, jarenlang tweede kerstdag bij elkaar. Niet van die vrienden die je alleen op Facebook feliciteert. Echte vrienden, dacht ik altijd.
Toen Erik en Marjan tweeënhalf jaar geleden uit elkaar gingen, kwam het hard aan. Voor hem in elk geval. Zij had al langer gezegd dat ze ongelukkig was, begreep ik later, maar Erik had dat blijkbaar niet willen zien. Hij bleef achter in dat rijtjeshuis in Stadshagen, met de bank die zij had uitgezocht, haar planten op de vensterbank en overal nog foto’s waar hij niets mee deed.
In het begin was het logisch dat we er veel waren. Erik at soms dagenlang nauwelijks. Hij vergat afspraken bij de huisarts. Pieter reed hem naar de praktijkondersteuner ggz en later ook een paar keer naar de psycholoog. Ik nam pannen soep mee, zette een was aan als ik zag dat er handdoeken over de trapleuning hingen die al weken niet droog leken te worden. Dat klinkt misschien bemoeizuchtig, maar het ging echt slecht met hem.
Hij zei toen vaak: ‘Als jullie er niet waren geweest, weet ik niet wat ik gedaan had.’
Daar kun je moeilijk luchtig op reageren. Dus zeiden we: ‘Natuurlijk zijn we er.’
Alleen is ‘er zijn’ langzaam iets geworden met vaste tijden, verwachtingen en een soort stilzwijgende dienstregeling. Elke woensdag eten bij Erik. Zaterdag meestal koffie, boodschappen of een stukje lopen. Zondagavond belde hij Pieter, soms een kwartier, soms anderhalf uur. Als wij een keer niet konden, vroeg hij niet zozeer of alles goed was. Hij wilde weten wat we dan deden.
Pieter vond dat ik daar te scherp op reageerde. ‘Hij is gewoon alleen, Els.’
Dat wist ik ook wel. Ik ben niet van steen. Maar alleen zijn en aanspraak maken op iemands hele weekend zijn voor mij niet hetzelfde.
Het afgelopen voorjaar wilden Pieter en ik een paar dagen naar Ameland. Gewoon maandag tot vrijdag, buiten de schoolvakanties omdat het goedkoper is en omdat we eindelijk niet meer hoeven te plannen om kinderen. Ik had een klein appartementje gevonden in Nes. Niet luxe, maar schoon, vlak bij de dijk. Pieter zei eerst nog: ‘Leuk, doen we.’
Toen we het aan Erik vertelden, viel er een stilte. Hij roerde in zijn koffie terwijl er al geen suiker meer in zat.
‘En wie helpt mij dan met die controle van de auto?’ vroeg hij.
Pieter zei dat hij de garage kon bellen en dat Erik ook een leenfiets kon krijgen. Dat was helemaal geen probleem. Maar Erik zei: ‘Ja, laat maar. Ik regel het wel. Jullie hebben het ook druk blijkbaar.’
Die laatste zin bleef dagen aan me plakken. We gingen uiteindelijk wel naar Ameland, maar Pieter belde hem daar iedere avond. De derde avond zat Pieter met zijn jas nog aan op de rand van het bed, omdat Erik weer zei dat hij niet wist hoe hij de week door moest komen. Ik heb toen niets gezegd. Ik wilde die vier dagen niet verpesten en ik schaamde me ook een beetje om mijn irritatie.
Want wat stelde mijn irritatie voor naast zijn depressie?
Maar ik werd er kleiner van. Ik ging afspraken met mijn zus afzeggen omdat Erik op zaterdag ‘wel even langs wilde komen’. Ik stelde aquajoggen uit, dan weer wel en dan weer niet, omdat ik niet wist of Pieter ineens met hem naar de bouwmarkt moest. We kregen minder mensen over de vloer, want Erik vond het lastig als er veel bezoek was. Daar kwamen we achter toen we een keer een borrel gaven voor mijn verjaardag en hij na twintig minuten op het toilet zat. Hij zei dat hij buikpijn had, maar ik hoorde hem snikken.
Daarna nodigde ik bijna niemand meer uit. Niet omdat hij dat letterlijk eiste. Dat is misschien juist het lastige. Er was nooit één groot verbod. Alleen steeds die blik, die zuchten, de berichten als we niet meteen reageerden.
Die zaterdag in november had ik genoeg van mezelf. Niet eens van Erik alleen. Van hoe ik al twee jaar deed alsof ik geen keuze had.
Pieter keek op van zijn krant toen ik zei dat ik geen aardappels meer ging schillen.
‘Wat dan?’ vroeg hij.
‘We gaan niet vandaag. Ik bel hem straks en ik zeg dat we één vaste dag per week kunnen afspreken. Woensdag bijvoorbeeld. En als er echt iets is, natuurlijk. Maar niet meer elk weekend alsof we stand-by staan.’
Pieter werd meteen stil. Hij kent me goed genoeg om te zien wanneer ik al te lang over iets heen ben gestapt.
‘El, hij kan dit heel verkeerd opvatten.’
‘Ja,’ zei ik. ‘Maar ik kan ook niet blijven doen alsof het goed gaat.’
Hij zei niet dat ik ongelijk had. Hij zei alleen: ‘Ik ben bang dat hij instort.’
Dat was precies waar ik bang voor was, en tegelijk ook waar ik boos om werd. Alsof wij twee gepensioneerde mensen zijn die een ander overeind moeten houden omdat niemand anders het doet. Erik heeft een zus in Deventer, een zoon van 34, een psycholoog, een huisarts. Hij heeft ook een buurman met wie hij vroeger voetbal keek. Maar bijna iedereen is op afstand geraakt. Misschien omdat hij zich terugtrok. Misschien omdat wij er altijd al waren, waardoor anderen dachten dat het wel liep. Ik weet het niet.
Ik heb hem gebeld. Mijn handen trilden, wat belachelijk voelt als je 67 bent en gewoon een vriend belt.
Ik zei dat Pieter en ik merkten dat we meer rust nodig hadden. Dat we heel graag op woensdag met hem bleven eten en dat we daarnaast konden kijken als er iets praktisch was, maar dat onze weekenden niet meer vanzelfsprekend vrijgehouden konden worden.
Hij was eerst heel stil.
Toen zei hij: ‘Dus nu ben ik een last geworden.’
‘Nee, Erik. Dat zeg ik niet.’
‘Je hoeft het niet letterlijk te zeggen, Els. Na bijna veertig jaar vriendschap snap ik het wel.’
Ik had willen zeggen dat hij ook nog steeds onze vriend was. Dat ik hem niet minder graag mag omdat ik niet elke zaterdag bij hem op de bank wil zitten. Maar ik hoorde aan mijn eigen stem dat ik moe klonk, en misschien was dat erger dan welke woorden ook.
Hij hing niet op. Hij zei alleen dat hij hoofdpijn had en dat hij later wel zou appen.
Pieter was kwaad en verdrietig tegelijk. Niet echt op mij, denk ik. Meer op de situatie. Die avond aten we brood met een gebakken ei, omdat ik geen zin meer had in koken. Pieter keek steeds op zijn telefoon. Erik stuurde pas de volgende middag een bericht: ‘Woensdag hoeft ook niet. Ik red me wel.’
Sindsdien zijn we twee keer wel bij hem geweest. De eerste keer deed hij bijna overdreven opgewekt. Hij had een maaltijdsalade gehaald en zei dat hij ‘ook best zelfstandig kon eten’. De tweede keer was hij kortaf tegen Pieter omdat die vertelde dat we de zondag erop naar onze jongste dochter in Utrecht gingen.
Pieter belt hem nog bijna elke avond. Ik heb daar niets van gezegd. Misschien moet hij zelf ook uitvinden waar zijn grens ligt. Of misschien vind ik het gewoon makkelijker als hij dat deel draagt.
Komende woensdag gaan we weer eten. Ik neem lasagne mee, want daar houdt Erik van en ik had nog gehakt in de vriezer. Maar zaterdag hebben Pieter en ik kaarten voor een middagvoorstelling in De Spiegel. Ik heb ze nog niet aan Erik verteld. Ik merk dat ik daar nu al tegenop zie.
Toch ga ik die kaarten niet terugbrengen.