Na 32 jaar vriendschap konden we niet meer doen alsof hun plan ons niets aanging
Ik heb vorige week de reservesleutel van het huis van Henk en Marja terug in een envelop gedaan. Niet door de brievenbus, want dat vond ik ineens te hard. Hij ligt nu in de la van de gangkast, naast oude garantiebewijzen en een rolletje plakband. Alsof ik daarmee tijd koop.
Henk en Marja wonen schuin tegenover ons, al sinds 1991. Wij kwamen hier wonen toen onze kinderen nog op de basisschool zaten. Zij hadden toen nog geen kinderen, wat later ook niet meer kwam, maar dat maakte voor onze vriendschap nooit uit. Op vrijdag aten we vaak bij elkaar. Eerst met kinderen die om de beurt geen spruitjes wilden, later met pubers die alleen even naar beneden kwamen als er lasagne was, en uiteindelijk met z’n vieren aan tafel, met een fles wijn die steeds duurder werd naarmate we allemaal meer gingen verdienen.
Mijn man Koos en Henk fietsen al jaren elke woensdagmorgen. Marja en ik doen samen keramiek in het buurthuis. Niet dat we bijzondere dingen maken. Vooral kommen die net niet rond zijn en vazen waar je geen grote takken in kunt zetten. Maar we hadden ons ritme. Je denkt dan dat zo’n vriendschap tegen een stootje kan, omdat je elkaar in zoveel versies hebt meegemaakt.
In november vertelden ze dat ze een kleinschalig ecolodge-project in Portugal wilden beginnen. In de Alentejo, ergens buiten Évora. Henk had een presentatie op zijn laptop gezet. Foto’s van een vervallen boerderij met kurkeiken, een zwembad dat er op de foto mooier uitzag dan het waarschijnlijk was, en van die witte kamers met linnen gordijnen die bewegen in de wind.
Ik vond het eerlijk gezegd prachtig klinken. Marja ook, natuurlijk. Ze straalde op een manier die ik al jaren niet meer bij haar had gezien. Na haar pensioen uit het onderwijs had ze moeite gehad met de leegte. Ze zei vaak dat ze het gevoel had dat ze alleen nog afspraken had bij de mondhygiënist en de kapper.
Ze hadden het huis daar nog niet gekocht, maar wel een optie. Hun plan was om ons huis hier aan te houden, tenminste de eerste tijd, en daar zes gastenverblijven te maken. Yogaweken, wandelgroepen, Nederlandse stellen die rust zochten. Henk zou de verbouwing regelen. Hij had vroeger in de bouw gezeten en was nog steeds iemand die in een half uur kon uitleggen waarom een muur scheef stond.
Pas later begreep ik dat ze niet een deel van hun pensioen erin wilden steken. Ze wilden bijna alles gebruiken. Hun spaargeld, Henk zijn ontslagvergoeding van jaren geleden die ze hadden laten staan, en een groot deel van hun maandelijkse pensioeninkomen zou naar een lening gaan. Ze rekenden erop dat de verhuur na twee jaar voldoende zou opleveren.
Koos zei in de auto naar huis: ‘Daar klopt iets niet.’
Ik zei dat hij niet zo zuur moest doen. Hij is altijd degene die eerst naar de verzekering en de belasting kijkt als iemand over een droom begint.
Maar de weken erna kwamen de vragen. Of wij hun post wilden doen. Of Koos contactpersoon wilde zijn voor de cv-ketel, de tuinman en de makelaar, voor het geval ze toch snel moesten verkopen. Of ik hun administratie in de gaten kon houden, omdat Marja bang was dat ze vanuit Portugal iets zou missen met de Belastingdienst of de bank.
Ik zei ja. Niet overal even enthousiast, maar ik zei ja. Dat doe je voor vrienden van meer dan dertig jaar. Zij zouden dat voor ons ook gedaan hebben. Daar was ik echt van overtuigd.
Alleen werd het steeds meer. Marja stuurde mij op dinsdagavond om kwart over elf een spreadsheet met boekingen die nog helemaal niet bestonden. Of ik even wilde kijken of haar berekening logisch was. Henk belde Koos over een offerte in het Portugees en vroeg of hij via een oud-collega misschien iemand kende die ervaring had met buitenlandse verbouwingen. Vervolgens vroeg hij of Koos in maart drie weken mee kon om ‘de boel even op gang te helpen’.
Koos is 63 en werkt nog drie dagen per week bij een installatiebedrijf. Hij kan niet zomaar drie weken weg. Bovendien wilde hij dat niet. Hij zei het niet meteen zo scherp, maar ik merkte het aan hem. Hij werd stiller als Henk belde.
De avond waarop het misging, zaten we bij hen aan tafel. Marja had stoofvlees gemaakt, terwijl ze zelf al maanden nauwelijks vlees eet. Ze wilde blijkbaar iets feestelijks. Er waren ook twee andere stellen uit onze fietsclub: Pieter en Els, en Ron met zijn nieuwe vriendin Saskia.
Na het toetje zette Henk zijn laptop weer op tafel. Hij zei dat ze nog één investering moesten regelen om de verbouwing echt goed te doen. Een extra lening, met hun Nederlandse huis als onderpand. Hij bracht het alsof het een laatste drempel was voor iets moois.
Pieter vroeg heel voorzichtig of dat niet spannend was, op onze leeftijd. Henk keek toen naar Koos en mij.
‘Maar jullie snappen het toch wel?’ zei hij. ‘Jullie weten hoeveel we hierin gestoken hebben. Zeg jij het eens, Koos. Jij hebt de cijfers gezien.’
Ik voelde mijn maag al samenknijpen voordat Koos iets zei.
Koos keek naar zijn glas. Toen zei hij: ‘Ik snap dat jullie dit graag willen. Maar ik vind het wel heel veel risico.’
Er viel zo’n stilte waarin iedereen ineens met zijn servet bezig is.
Marja werd rood in haar gezicht. Niet boos rood, eerder gekwetst. ‘Dus jij denkt dat we dom zijn.’
‘Dat zeg ik niet.’
‘Nee, maar je zegt wel dat we niet weten wat we doen.’
Ik mengde me erin. Misschien had ik dat niet moeten doen, maar ik kon Koos daar niet alleen laten zitten. Ik zei dat wij hen niet konden vertellen wat ze moesten doen, maar dat wij ook niet publiekelijk konden zeggen dat het een verstandig plan was als we daar zelf ernstige twijfels over hadden.
Marja keek me aan alsof ik haar iets had afgenomen.
‘We vragen niet om jullie geld,’ zei ze. ‘We vragen alleen of jullie achter ons staan.’
En daar zit voor mij nog steeds de pijn. Want ik dacht: maar jullie vragen wél om onze tijd, onze namen als contactpersonen, onze rust als er hier iets misgaat. Jullie vragen Koos om mee te helpen, mij om de administratie bij te houden. En als het fout loopt, staan wij hier waarschijnlijk ook weer met dozen, telefoontjes en gedoe. Dat is niet alleen maar achter iemand staan.
Ik zei het minder netjes dan ik het nu opschrijf. Ik zei dat ik niet de schijn wilde ophouden dat we het prachtig vonden, alleen omdat andere mensen erbij waren.
Henk zei toen: ‘Dus als vrienden moet je het vooral eens zijn met elkaar?’
Dat was niet eerlijk, vond ik. Maar misschien was ik ook niet eerlijk geweest. Want wie ben ik om te bepalen wanneer iemands droom te groot is? Marja heeft haar hele leven verstandig gedaan. Ze spaarden, ze pasten op de kinderen, ze stonden altijd klaar. Misschien is dit voor haar niet roekeloosheid maar een laatste kans om nog ergens vol voor te gaan.
Sinds die avond is het stil. De wekelijkse fietstocht is twee keer niet doorgegaan. Marja is niet naar keramiek geweest. Ze stuurde alleen een berichtje dat ze ‘even veel aan haar hoofd’ had.
Gisteren kreeg ik een mail van Henk met een lijst. Namen van instanties, rekeningnummers, een map op hun computer, instructies voor de post. Onderaan stond: ‘We gaan er vanuit dat dit gewoon doorgaat zoals afgesproken.’
Koos wilde meteen terugmailen dat we er niet aan beginnen. Ik heb hem tegengehouden. Niet omdat ik nu ineens alles wil doen, maar omdat ik eerst met Marja wil praten zonder dat er andere mensen aan tafel zitten en zonder dat Henk een laptop openklapt.
Maar ik heb haar nog niet gebeld. De sleutel ligt nog in de la. En vrijdagavond, rond de tijd dat we normaal bij hen aan tafel zouden zitten, hoor ik soms een auto in de straat stoppen en denk ik heel even dat Henk met een fles wijn voor de deur staat.
Dan blijkt het de bezorger van de buren te zijn.