Na veertig jaar vriendschap staat onze keukentafel ineens vol met rekeningen

De map ligt nog steeds op de hoek van onze eettafel. Donkerblauw, met van die plastic insteekhoezen. Er zit een begroting in voor een koelcel, een tweedehands bestelbus, een vergunningstraject en iets wat Henk heel zakelijk ‘een groeipad’ noemde.

Kees wil dat ding niet aanraken. Als ik er per ongeluk met mijn elleboog tegenaan kom, kijkt hij op alsof ik zijn arm heb gestoten.

We zijn allebei 63. Kees is sinds vorig voorjaar met pensioen, na bijna veertig jaar bij de gemeente in het groenonderhoud. Ik werk nog twee dagen per week in de bibliotheek in Emmen, vooral omdat ik het prettig vind om ergens heen te moeten en omdat we dat extra geld best kunnen gebruiken. We wonen buiten het dorp, op een oude plek van mijn ouders. Geen boerderijbedrijf meer, al hebben we wel bijna anderhalve hectare grasland achter het huis.

Kees had er jaren over gepraat: een paar geiten, een grote moestuin, zelf kaas maken. Niet om rijk te worden. Eerder omdat hij na zijn pensioen bang was om doelloos te worden. Hij zei dat niet zo, natuurlijk. Hij zei: ‘Dan heb ik eindelijk tijd om het goed aan te pakken.’

Henk en Marjan zijn al sinds 1982 onze vrienden. We leerden elkaar kennen op een camping bij Ommen, met vier jonge kinderen die allemaal hun slippers kwijt waren. Daarna werd het vanzelf iets vasts. Eerst iedere zaterdag kaarten, later etentjes op vrijdag. Toen de kinderen groter waren gingen we samen naar Frankrijk, meestal met een vouwwagen of een huisje waar altijd iets kapot was. We hebben elkaars ouders begraven. Marjan zat bij mij op de bank toen ik een miskraam had, waar bijna niemand van wist. Kees hielp Henk twee winters lang met het opknappen van zijn schuur.

Dus toen Kees aan Henk vroeg of hij mee wilde doen met het geiten- en kaasplan, vond ik dat eigenlijk logisch. Henk was net gestopt als onderhoudsmonteur bij een fabriek in Hoogeveen. Hij kan alles maken. Als onze cv-ketel kuren heeft, belt Kees hem eerder dan een installateur.

Henk kwam de eerste maanden iedere dinsdag en donderdag. Hij zette een oude melkmachine op de kop voor een habbekrats, timmerde een afscheiding in de schuur en vond via-via een tweedehands kaaspers. Marjan en ik maakten etiketten aan de keukentafel. We lachten om namen die te deftig klonken. Uiteindelijk werd het gewoon ‘Kaas van de Es’. Het was klein, rommelig en eerlijk gezegd soms best vermoeiend, maar Kees straalde weer.

Alleen merkte ik al vrij snel dat Henk een ander soort plezier had dan Kees.

Kees kon een hele ochtend bezig zijn met de composthoop. Of met uitzoeken welke kruiden goed waren voor de geiten. Henk keek naar de ruimte achter de schuur en zei dat daar makkelijk een grotere stal kon komen. Kees zei dan: ‘Ja, maar dat hoeft toch niet?’ En Henk lachte alsof Kees een grap maakte.

In het begin deden we daar luchtig over. Tijdens het eten zei Marjan bijvoorbeeld dat Henk nu eenmaal niet kan kijken naar iets dat werkt zonder te bedenken hoe het beter kan. Dat is ook waar. Hij is niet kwaad of inhalig van nature. Hij is altijd degene geweest die regelde dat we genoeg gasflessen hadden op vakantie en die met een rekenmachine uitzocht welke boodschappenaanbieding echt voordelig was.

Maar na een jaar stonden er op zaterdag mensen aan de oprit om kaas te kopen. Niet heel veel, maar genoeg dat Henk cijfers begon bij te houden. Hij maakte een Excelbestand. Kees heeft een hekel aan Excelbestanden. Hij noteerde de verkoop eerst nog in een schriftje met aardbeien op de voorkant.

Henk wilde naar streekmarkten, een website, vaste afnemers. Hij had zelfs contact opgenomen met een delicatessenwinkel in Assen. Kees wist daar niets van totdat Henk vertelde dat ze misschien vijftig kazen per maand konden leveren.

‘Vijftig?’ zei Kees. ‘Ik wil helemaal geen vijftig kazen per maand maken.’

Henk trok toen zijn wenkbrauwen op. ‘Dan moet je ook niet doen alsof je een bedrijfje hebt.’

Dat zinnetje is blijven hangen. Misschien omdat het zo kleinerend klonk. Misschien ook omdat er ergens een kern van waarheid in zat. We verkochten kaas, we namen geld aan, mensen verwachtten iets. Kees wilde wel de leuke delen, zei Henk later. Maar ik vond het ook vreemd dat Henk ineens bepaalde wat we moesten willen.

Het werd thuis merkbaar. Kees werd stiller op de dagen dat Henk kwam. Hij ging eerder naar bed. Op vrijdagavond, onze vaste avond met z’n vieren, hadden we het alleen nog over opbrengst, voerprijzen en regels van de NVWA. Marjan en ik probeerden soms over de kleinkinderen of een serie op NPO Start te beginnen, maar binnen vijf minuten zei Henk weer: ‘Als we nou eens…’

De echte ruzie was drie weken geleden. Henk kwam met die blauwe map. Hij had uitgezocht dat we, als we een deel van ons land als onderpand zouden inzetten, een lening konden krijgen voor een professionele koelruimte en een kleine productiekeuken. Hij wilde er zelf ook geld in steken. Volgens hem hoefden we dan maar twee of drie jaar flink door te pakken.

Kees zei meteen nee. Niet hard. Gewoon nee.

Henk bleef rustig, bijna te rustig. Hij zei dat je niet eindeloos in een schuurtje kon blijven aanrommelen. Dat we nu juist een kans hadden. Dat hij er honderden uren in had zitten en niet van plan was om alleen voor de lol hekken te bouwen.

Toen zei Kees dat niemand hem had gevraagd om die uren zo te tellen.

Ik zag Marjan naar haar bord kijken. We aten stamppot andijvie, wat achteraf zo’n absurd detail is dat ik het steeds onthoud. De jus was al koud.

Henk zei dat Kees bang was. Kees zei dat Henk aan onze grond zat alsof het al van hem was. Daarna gingen woorden sneller dan ik kon bijhouden. Henk riep dat zonder zijn kennis die hele kaasmakerij nooit van de grond was gekomen. Kees zei dat hij hem dan maar een factuur moest sturen.

Dat had Kees niet moeten zeggen. Of misschien bedoelde hij het anders dan het eruit kwam. Henk stond op, pakte zijn jas en zei: ‘Dat is misschien nog het eerlijkst.’

Marjan bleef nog geen vijf minuten. Ze zei bij de deur zacht tegen mij: ‘Ik herken hem ook niet meer de laatste tijd.’ Maar ze ging wel achter hem aan.

Sindsdien hebben we niets meer gehoord, behalve een appje van Marjan: dat ze voorlopig even afstand nodig hadden en dat ze hoopte dat we allemaal zouden afkoelen. Ik heb het drie keer gelezen. Vooral dat woord allemaal zit me dwars. Alsof dit een ruzie is waarin ieder van ons precies evenveel heeft gedaan.

Kees wil de geiten verkopen. Niet omdat hij ze niet meer wil, denk ik, maar omdat elke plank in die schuur hem aan Henk herinnert. Gisteren stond hij er met een emmer voer in zijn hand en zei hij: ‘Misschien was het altijd al een dom idee.’

Ik werd daar boos om. Niet op hem alleen. Op Henk, op die map, op mezelf omdat ik zo lang dacht dat ik tussen hen in kon blijven staan en alles met een normaal gesprek recht kon trekken.

Marjan stuurde vanmorgen een foto van haar kleindochter die voor het eerst zonder zijwieltjes fietst. Geen bericht erbij. Alleen die foto. Ik heb er een hartje onder gezet en daarna mijn telefoon weggelegd.

Vanavond eten we voor het eerst in jaren op vrijdag met z’n tweeën. Kees heeft een maaltijdsalade van de Jumbo meegenomen. Ik ga waarschijnlijk alsnog te veel maken, omdat ik nooit goed heb leren koken voor twee.