Na 34 jaar vriendschap wil mijn beste vriend ons uitkopen uit het huis dat we samen in Frankrijk kochten
Vorige week heb ik de sleutel van ons huis in Frankrijk uit mijn sleutelbos gehaald. Niet omdat we het verkocht hebben. Ook niet omdat we besloten hebben er nooit meer heen te gaan. Ik kreeg hem er gewoon niet meer bij aan mijn sleutelbos zonder dat ik er chagrijnig van werd.
Het is zo’n zware, ouderwetse sleutel met een blauw plastic dopje eraan. We hebben hem zeventien jaar gehad. In het begin lag hij altijd bij Ria en Koos, omdat zij vanuit Deventer reden en wij vanuit Amersfoort, en zij meestal een dag eerder vertrokken. Dat waren geen afspraken waar je een boekhouder bij haalde. We waren vrienden.
Ria en mijn vrouw Marijke kennen elkaar nog van de opleiding tot verpleegkundige. Koos en ik zijn later aangehaakt geraakt, eerst een beetje onwennig, en daarna eigenlijk vanzelf. We zijn nu alle vier ergens in de zestig. Onze kinderen zijn ongeveer tegelijk geboren, hebben samen gekampeerd in Zeeland, ruzie gehad om spelcomputers en elkaar later uit het oog verloren. Wij niet.
Kerst was bij ons of bij hen. Pasen meestal een brunch met te veel broodjes. Toen mijn vader overleed, stond Koos de dag erna voor de deur met een pan soep, terwijl ik hem niet eens gebeld had. Toen Ria borstkanker had, reed Marijke om de beurt met Koos naar het ziekenhuis omdat hij niet alleen wilde wachten. Zo waren we met elkaar verweven. Niet iedere week op elkaars lip, maar wel: als er iets was, belde je.
Het huis in de Ardèche kwam er na een vakantie in 2007. We zaten op een terras in Ruoms, dronken rosé die achteraf waarschijnlijk helemaal niet zo bijzonder was, en vonden dat we “ooit” iets kleins moesten zoeken. Een jaar later hadden we een oude maison de village gekocht in een dorpje boven Largentière. Drie slaapkamers, een piepkleine binnenplaats, een lekkend dak en een schuur waar vooral spinnen woonden.
We deden alles half om half. De aankoop, de notariskosten, het dak, de nieuwe septic tank toen dat moest. We hadden een Franse SCI opgericht omdat dat toen door de notaris werd aangeraden. Iedereen voor een kwart aandeel. Op papier netjes. In de praktijk stuurden we elkaar foto’s van kapotte luiken en betaalde degene die op dat moment in Frankrijk was soms de loodgieter, waarna we het thuis wel verrekenenden.
Ik ben timmerman geweest, dus ik deed veel aan het houtwerk. Koos was goed met elektra en alles waar ik geen geduld voor had. Ria hield de administratie bij in een map waar ik nooit iets in kon terugvinden, en Marijke zorgde ervoor dat er altijd handdoeken waren en dat de koelkast niet leeg was als de volgende kwam. Het was niet eerlijk op de millimeter, maar het voelde eerlijk.
Dat veranderde toen Koos drie jaar geleden met vroegpensioen ging. Hij had er financieel voor gespaard en ik gun het hem ook. Echt. Ik werk zelf nog twee dagen per week in een bouwmarkt, vooral omdat ik anders thuis te veel ga lopen mopperen, maar ik kan niet zomaar zes weken weg.
Koos en Ria konden dat wel. Eerst gingen ze wat vaker. Daarna bleven ze vanaf april tot juni, en weer een groot deel van september. Op Facebook zette Ria foto’s van de markt, van nieuwe stoelen op het terras, van etentjes met Franse buren. Ik vond het leuk, tot ik merkte dat ik bij bijna elke foto dacht: wanneer hebben ze dat overlegd?
De stoelen waren een klein ding. De oude stonden inderdaad op instorten. Maar ineens waren de houten luiken donkergroen geschilderd, terwijl ze altijd lichtblauw waren geweest. Er hing een bordje bij de poort met ‘Maison des Chênes’, een naam die wij nooit hadden gebruikt. In de keuken waren onze bekers verdwenen. Niet weggegooid, zei Ria later. In een doos op zolder, omdat ze niet bij de nieuwe open planken pasten.
Ik weet hoe kinderachtig dat klinkt. Het zijn bekers. Maar het waren de bekers waar onze kleinkinderen uit dronken als ze mee mochten. En het voelde alsof wij langzaam gasten werden in iets wat ook van ons was.
Marijke wilde er eerst niets van maken. “Ze doen veel meer dan wij, Henk. Die tuin houdt zichzelf niet bij.” Dat is ook waar. Koos maait, repareert, regelt de vuilnisophaling, ontvangt werklui. Hij heeft afgelopen winter een lekkage ontdekt voordat het plafond naar beneden kwam. Daar ben ik hem dankbaar voor.
Maar dankbaarheid is iets anders dan afstand doen.
In november zaten we bij hen aan tafel. Normaal drinken we dan na het eten nog koffie en bespreken we wie met oud en nieuw wat meeneemt. Nu lag er een printje naast de schaal met speculaas. Een waardebepaling van een makelaar uit de streek.
Koos zei dat hij er al maanden mee rondliep. Hij wilde meer duidelijkheid. Hij en Ria wilden er steeds langer zijn, misschien uiteindelijk een halfjaar per jaar. Wij kwamen volgens hem nog maar twee keer per jaar en dan meestal maar tien dagen. Hij zei dat het voor hen niet redelijk voelde dat zij alle praktische rompslomp droegen terwijl wij dezelfde zeggenschap hielden.
Toen kwam het voorstel: zij zouden ons aandeel overnemen tegen de huidige marktwaarde. Een ruim bod, zei hij. En dat was het ook, als je alleen naar de cijfers kijkt. We zouden er meer voor krijgen dan we er ooit ingestoken hebben.
Marijke werd heel stil. Ik vroeg of hij ons er dan gewoon uit wilde hebben.
“Niet eruit,” zei Koos. “Maar we kunnen niet blijven doen alsof het nog is zoals vroeger.”
Dat zinnetje ben ik daarna blijven horen. Alsof hij daarmee niet alleen dat huis bedoelde.
Ik reageerde slecht. Ik zei dat hij het huis naar zich toe had getrokken en nu wilde doen alsof het een logische consequentie was. Ria begon te huilen. Ze zei dat ze juist jarenlang van alles hadden opgevangen zonder daar ooit een punt van te maken. Dat ze het zat was om na elk bezoek van ons drie weken achterstallig werk te hebben, omdat wij, volgens haar, “op vakantie kwamen en zij thuis”.
Daar zat iets in waar ik niet eerlijk naar wilde luisteren. Wij hebben inderdaad niet gezien hoeveel er tussendoor gebeurt. Of misschien wilden we het niet zien, omdat het zo prettig was om daar aan te komen en meteen in die oude stand te schieten: koffie op het pleintje, stokbrood halen, Koos die de barbecue aansteekt.
Maar ik vond ook dat zij niet zagen wat ze afpakten. Niet alleen een plek in Frankrijk. Onze vaste plek. De kamer waar mijn zoon na zijn scheiding een week alleen heeft gezeten. De tafel waar we hoorden dat Ria schoon zou zijn. De binnenplaats waar mijn kleindochter haar eerste Franse woordje zei, al was het waarschijnlijk gewoon ‘bonjour’ dat ze napraatte.
Sinds die avond hebben we alleen praktische appjes gehad. Over de jaarlijkse bijdrage, een afspraak met de verzekeraar, een factuur voor de septic tank. Ria stuurde vorige maand een foto van de amandelbloesem. Ik heb een hartje teruggestuurd en me daarna slap gevoeld.
Onze notaris hier heeft gezegd dat we niemand hoeven uit te kopen en dat de statuten van de SCI leidend zijn. Natuurlijk kan dat. We kunnen vasthouden aan ons kwart. We kunnen een gebruiksschema eisen, alle uitgaven vooraf laten goedkeuren en desnoods formeel laten vastleggen wie wat doet. Maar als ik dat allemaal voor me zie, zie ik vier mensen met spreadsheets aan een Franse keukentafel. Geen vrienden meer.
Tegelijkertijd voelt verkopen alsof ik me laat wegduwen omdat iemand anders meer tijd heeft dan ik. Alsof je na 34 jaar vriendschap ineens minder recht hebt op een plek, omdat je nog op woensdag en vrijdag moet werken.
Marijke zegt dat we eerst naar Frankrijk moeten, zonder hen, om te voelen wat het huis voor óns nog is. Over twee weken gaan we. Koos heeft laten weten dat ze dan in Nederland zijn; hij heeft zelfs de code van het sleutelkastje gestuurd, alsof we huurders zijn.
De sleutel ligt nu los in de keukenla. Ik heb hem er niet weggegooid. Maar ik heb hem ook nog niet terug aan mijn bos gehangen.