Mijn vrouw wil niet meer mee met onze vaste vriendengroep, en ik ben bang dat we straks niemand meer overhouden

Ik had nooit gedacht dat een jaarlijks weekend in een hotel zoveel gedoe kon opleveren.

Wij zijn allebei 67. Ik heet Rob, mijn vrouw is Ellen, en we kennen onze vaste vriendengroep sinds de kinderen nog op de basisschool zaten. Eerst waren het ouders van school en mensen van de tennisvereniging. Langzaam werd het een vaste club van vijf stellen. Verjaardagen, oudejaarsavond, etentjes, weekenden naar Limburg of de Veluwe. Je hoeft elkaar niet elke week te spreken om toch te weten wie er een nieuwe knie heeft, wie er problemen met een kind heeft en wie zijn baan kwijt is geraakt.

Iedere eerste zaterdag van de maand doen we iets met elkaar. Nou ja, meestal eten. Bij iemand thuis of in een restaurant waar je een driegangenmenu krijgt en waar de mannen na afloop nog een likeurtje nemen. Het is allemaal heel overzichtelijk. Carla regelt meestal de data, Henk maakt grappen die hij al twintig jaar maakt, en iedereen weet ongeveer waar hij aan toe is.

Ellen is daar de laatste tijd klaar mee, denk ik.

Niet met de mensen per se. Dat zegt ze tenminste. Maar met het hele toneel eromheen. Ze noemt het geen toneel, want zo hard is ze niet, maar ik zie het aan haar. Dan staat ze zich op zaterdagmiddag toch weer netjes aan te kleden voor een restaurant waar ze eigenlijk geen zin in heeft. Daarna zit ze tegenover Ingrid te luisteren naar een uitgebreid verhaal over de verbouwing van de bijkeuken, terwijl ze thuis tegen mij zegt dat ze liever met een thermoskan koffie door de duinen had gelopen.

Ellen is vorig jaar minder gaan werken. Ze was doktersassistente, drie dagen per week, en ze vond het op een gegeven moment genoeg. Niet omdat ze ziek was of iets dergelijks. Gewoon: ze wilde tijd overhouden voordat alles alleen nog maar om afspraken bij de fysio en verjaardagen draait. Dat zei ze letterlijk. Ik vond dat toen nogal somber klinken, maar ik snapte wel wat ze bedoelde.

Ze is gaan wandelen, heeft een elektrische fiets gekocht en volgt op donderdagmorgen een schildergroep in het buurthuis. Daar ken ik niemand van. Ik merk dat ik dat moeilijk vind, wat kinderachtig misschien. Alsof zij opeens een leven heeft waar ik niet bij hoor.

In november zei ze voor het eerst dat ze niet mee wilde met het weekend weg dat we normaal in januari boeken.

‘Niet weer twee avonden zo’n diner met een menukaart waar ik niks van wil,’ zei ze terwijl ze spruitjes stond schoon te maken. ‘En dan om tien uur op de kamer zitten omdat iedereen moe is. Ik word daar niet vrolijk van, Rob.’

Ik zei dat we toch ook altijd lachen. Dat het maar één weekend per jaar was.

‘Ja, jij lacht. Jij vindt het fijn om met Henk aan de bar te zitten.’

Dat was niet eens onwaar. Henk en ik kennen elkaar al meer dan dertig jaar. We hebben samen gevoetbald, later samen geklust bij elkaar en we zijn allebei opa. Hij is niet mijn beste vriend in de zin dat we diepe gesprekken voeren, maar hij is wel iemand die er altijd is geweest. Als ik hem bel, neemt hij op. Zo simpel is het.

Ellen stelde voor om eens iets anders te doen. Een dag wandelen op Texel bijvoorbeeld, of met z’n allen een huisje huren waar niemand hoeft te koken als hij daar geen zin in heeft. Een keer naar een museum, daarna pannenkoeken. Niet elke keer dat verplichte lange tafelen.

Ik zei: ‘Dat kun je wel willen, maar de rest vindt dat helemaal niks.’

Ze keek me aan alsof ik iets doms had gezegd.

‘Dus dan moet ik het maar blijven doen?’

Ik zei dat niet. Of ik zei het misschien wel, maar zachter. Ik bedoelde vooral: waarom moet alles veranderen als het jarenlang goed genoeg was?

Achteraf zie ik dat “goed genoeg” voor haar iets heel anders betekende dan voor mij. Voor mij was het veiligheid. Een agenda met mensen erin. Geen gedoe. Voor Ellen was het blijkbaar vooral volhouden.

Vorige zaterdag zaten we bij Ingrid en Peter in Amersfoort. Ingrid had stoofvlees gemaakt en er stond zo’n schaal met aardappelgratin op tafel waar iedereen altijd overdreven enthousiast over doet. Ellen had aangeboden een salade mee te nemen, wat al een klein teken was, want normaal doet ze gewoon mee met wat er afgesproken is.

Na het hoofdgerecht pakte Carla haar telefoon erbij. Ze had drie hotels opgeslagen voor het weekend in maart. Eén in Valkenburg, één in Ootmarsum en één ergens bij Apeldoorn. Er werd meteen door elkaar gepraat over kamers, ontbijt en wie er wel of geen bad wilde.

Ik voelde Ellen naast me stiller worden. Niet boos. Eerder alsof ze in haar jas al bij de voordeur stond.

Carla vroeg: ‘Ellen, jij had toch vorig jaar zo’n fijne kamer met een balkon? Zal ik daar weer naar kijken?’

Ellen legde haar vork neer. Ze zei heel rustig: ‘Ik boek dit jaar niet mee als het weer zo’n weekend wordt.’

Het werd echt stil. Zelfs Henk zei niks, en dat gebeurt zelden.

Carla lachte eerst een beetje, alsof het een grap was. ‘Nou, we kunnen toch vragen om een tafel bij het raam, hoor.’

‘Nee, ik bedoel het niet vanwege de tafel,’ zei Ellen. ‘Ik heb gewoon geen zin meer in een heel weekend eten en binnen zitten omdat dat nou eenmaal is wat we altijd doen.’

Peter vroeg of er iets was gebeurd. Dat vond ik een vervelende vraag, omdat er natuurlijk niets was gebeurd. Tegelijk kon ik hem niet ongelijk geven. Bij ons in de groep verander je niet zomaar de regels zonder dat er een reden achter zit.

Ellen zei dat ze best mee wilde denken over iets anders. Een actieve dag, een huisje, desnoods twee losse activiteiten in plaats van een weekend. Maar niet weer dat vaste format.

Henk keek naar mij. Niet verwijtend, eerder afwachtend. Alsof ik het wel even recht zou trekken. En ik deed precies waar ik nu spijt van heb: ik zei dat Ellen de laatste tijd ‘wat meer behoefte had aan andere dingen’.

Alsof het een fase was. Alsof ik haar wens kleiner kon maken zodat iedereen weer door kon met de hotelkamers.

Ellen zei toen niks meer. Ze hielp Ingrid later met afruimen, heel vriendelijk zelfs. In de auto naar huis was het bijna een kwartier stil. Ik reed verkeerd bij de A1 omdat ik mijn afslag miste, wat me normaal nooit gebeurt.

Toen zei ze: ‘Je deed weer alsof ik lastig ben.’

Ik wilde zeggen dat ik juist probeerde te voorkomen dat iedereen zich aangevallen voelde. Maar ik wist ook dat dat niet het hele verhaal was. Ik wilde voorkomen dat ík iets kwijt zou raken. Misschien wilde ik ook voorkomen dat ik moest toegeven dat ik sommige avonden zelf behoorlijk saai vind. Alleen ik kan blijkbaar beter doen alsof dat niet zo is.

‘Ik ben bang dat ze ons niet meer vragen,’ zei ik uiteindelijk.

Ellen keek uit het raam. ‘Rob, we zijn geen kinderen die uit een groepje worden gezet omdat we niet op een feestje komen.’

Dat klonk logisch, maar zo voelt het niet. Op onze leeftijd maak je niet zomaar nieuwe vrienden. Iedereen heeft zijn eigen ritme, kleinkinderen, kwaaltjes, mantelzorg, afspraken. Deze mensen zijn verweven met alles wat achter ons ligt. Zij weten nog hoe ons oude huis rook naar sigaretten toen mijn vader daar tijdelijk woonde. Ze waren er toen Ellen haar borstoperatie kreeg, jaren geleden. Niet allemaal even handig, maar ze waren er wel.

De volgende ochtend stuurde Carla in de groepsapp dat ze het jammer zou vinden als het weekend niet doorging, maar dat ze ‘natuurlijk openstond voor ideeën’. Daarna kwamen er meteen drie berichten van anderen dat wandelen ook leuk kon zijn, mits niet te ver en met koffie onderweg. Henk stuurde alleen een duimpje.

Ellen heeft nog niet gereageerd. Ze is vanmorgen naar haar schildergroep gegaan. Ik heb de hotelpagina’s uit mijn favorieten verwijderd, maar ik heb de groepsapp niet verlaten.

Vanavond eten we restjes. Misschien vraag ik haar wat zij dan echt voor zich ziet. Niet als onderhandeling, hoop ik. Gewoon omdat ik het blijkbaar nog steeds niet goed weet.