Mijn man wil naar het straatfeest, maar ik kan die hele buurt even niet meer aan

Ik heb de uitnodiging voor het straatfeest drie weken ongeopend op de vensterbank laten liggen. Een geel kaartje, met van die vrolijke ballonnen erop en onderaan: ‘Graag opgeven vóór 15 juni.’ Alsof het om een barbecue ging waar je gewoon even wel of niet zin in hebt.

Vroeger zou ik de eerste zijn geweest die reageerde. Dan zette ik in de buurtapp dat ik wel een schaal pastasalade maakte, en daarna kreeg ik meteen vijf duimpjes en een berichtje van Jannie dat ik vooral niet te zuinig met de pesto moest zijn. Zo ging dat hier. We wonen in een dorp onder Drachten, in een straat met achtenveertig huizen waar we inmiddels dertig jaar wonen. Toen onze kinderen klein waren, stond er altijd wel iemand aan de deur met een vergeten gymtas, een pan soep of de vraag of Henk even naar een lekkende dakgoot kon kijken.

Het is een fijne straat. Dat zeg ik er maar meteen bij, want ik merk dat ik de laatste tijd hard word zodra iemand erover begint. De mensen zijn niet slecht. Integendeel. Toen mijn moeder overleed, stond er ’s avonds ineens eten voor de deur. Toen Henk vorig jaar aan zijn knie geopereerd werd, maaide buurman Rinse ons gras zonder dat we het hadden gevraagd. Bij ziekte wordt hier niet alleen een kaart gestuurd. Dan wordt er een rooster gemaakt.

En precies daar begon ik in vast te lopen.

Mijn burn-out kwam niet met één grote instorting. Ik begon dingen te vergeten bij mijn werk in de thuiszorg. Ik stond in de supermarkt en wist niet meer waarom ik daar was. Thuis kon ik om zes uur al huilen als Henk vroeg wat we zouden eten. Uiteindelijk heeft de huisarts mij uitgeschreven. Rust, zei ze. Geen afspraken waar je tegenop ziet. Niet steeds uitleggen hoe het gaat. Prikkels beperken, echt beperken.

Ik dacht eerst dat ik na een paar weken wel weer bij de koffie zou zitten op woensdagochtend. Die koffie is bij ons om de beurt, meestal aan een keukentafel met te veel koekjes en altijd dezelfde gesprekken. Wie er gevallen is, wiens zoon gescheiden is, hoe duur alles geworden is. Ik ben daar jarenlang graag geweest.

Maar de eerste keer dat ik weer ging, kreeg ik het na drie kwartier benauwd. Niet omdat iemand iets verkeerds zei. Iedereen was juist lief. ‘Ach meid, jij moet goed om jezelf denken.’ ‘Je ziet er eigenlijk best goed uit.’ ‘Misschien een keer samen wandelen, dan kom je weer wat onder de mensen.’

Ik knikte, dronk mijn koffie op en ben thuis onder een deken gaan liggen alsof ik een marathon had gelopen.

Daarna heb ik tegen Henk gezegd dat ik voorlopig niet meer ging. Niet naar de koffie, niet naar de bingo voor het dorpshuis, niet helpen bij de rommelmarkt. Hij keek me lang aan en zei alleen: ‘Dan doe je dat niet.’ Ik was hem daar dankbaar voor.

Alleen bleef het niet bij mij.

Mensen vroegen Henk waar ik was. Eerst voorzichtig. Later minder voorzichtig. Bij de supermarkt had Trijntje hem aangesproken. Of ik boos was op de straat. Of er iets tussen mij en Jannie speelde. Henk vertelde dat toen aan de keukentafel, een beetje geïrriteerd, maar hij lachte er ook bij.

‘Ik heb gezegd dat je niet lekker in je vel zit,’ zei hij.

Dat vond ik al naar. Niet omdat het niet waar was, maar omdat ik niet wilde dat hij daar namens mij over sprak. Tegelijk wist ik ook niet wat hij anders had moeten zeggen. Als hij zegt dat ik geen zin heb, lijkt het alsof ik iedereen afwijs. Als hij zegt dat ik overspannen ben, wordt dat ook weer een onderwerp.

De weken werden maanden. Henk bleef wel gaan. Eerst naar de koffie, later ook naar een klusmiddag bij Sjoerd, en hij helpt nog altijd met het klaarzetten van de tafels als er iets in de straat is. Ik gunde hem dat. Echt. Hij is nooit iemand geweest die veel vrienden buiten het dorp heeft. Zijn werk bij de gemeente is vorig jaar minder geworden door een reorganisatie en hij werkt nu nog drie dagen. Die straat is voor hem niet alleen bemoeienis. Het is ook zijn gewone leven.

Maar elke keer als hij thuiskwam, voelde ik mijn schouders omhooggaan.

Dan zei hij bijvoorbeeld: ‘Rinse vroeg of je alweer wat beter bent.’ Of: ‘Jannie denkt dat het misschien goed voor je is als je gewoon even een uurtje komt zaterdag.’ Henk bedoelde het niet kwaad. Hij vertelde gewoon wat er gezegd was. Maar ik hoorde alleen dat ik nog steeds besproken werd.

Vorige zondag lag die uitnodiging dus nog steeds op de vensterbank. Henk pakte hem op, las hem nog eens en zei: ‘Ik ga wel, hoor.’

Ik stond aardappels te schillen. Het mes schoot bijna langs mijn duim.

‘Wat bedoel je, je gaat wel?’ vroeg ik.

‘Nou, naar het straatfeest. Ik heb me nog niet opgegeven, maar ik wil er wel heen. Het is gewoon één middag.’

Ik zei dat ik dacht dat we dit jaar samen thuis zouden blijven. Niet omdat ik hem wilde straffen, maar omdat ik het niet trok dat hij daar alleen heen ging en iedereen dan kon vragen waar ik was. Dan werd mijn afwezigheid nog groter. Alsof er een lege stoel naast hem stond met mijn naam erop.

Hij legde de uitnodiging neer en zuchtte. Dat zuchten ken ik inmiddels. Niet boos, eerder moe.

‘Marijke, ik snap dat jij niet kunt. Maar ik kan toch niet de rest van mijn leven doen alsof ik ook niet meer in deze straat woon?’

Dat kwam hard aan. Ik zei dat ik helemaal niet vroeg om de rest van zijn leven. Ik vroeg om één feest, in een periode waarin ik nog bezig ben overeind te blijven. Hij zei dat hij al maanden rekening met me hield. Dat we bijna nergens meer heen gingen. Dat hij thuis stil moest zijn als ik lag te slapen. Dat hij soms niet eens vertelde wat hij had meegemaakt omdat ik daar gespannen van werd.

En daar had hij gelijk in, vrees ik. Ik zei alleen op dat moment: ‘Dus ik ben lastig geworden.’

Dat had ik niet moeten zeggen, want toen ging het meteen over iets anders. Hij werd kwaad en zei dat hij dat niet had gezegd. Ik huilde, natuurlijk. Niet eens alleen vanwege hem. Ook omdat ik zag hoe mijn ziekte tussen ons op tafel lag, naast de aardappelschillen en de vuile theedoek.

Henk is uiteindelijk naar buiten gegaan om een rondje te fietsen. Dat doet hij altijd als hij niet weet wat hij moet zeggen. Ik heb de aardappels alsnog gekookt, veel te zacht. We hebben die avond bijna niets gezegd.

De volgende dag kwam buurvrouw Jannie langs met een plantje. Ze wist volgens mij niet dat we ruzie hadden, maar ik was meteen op mijn hoede. Ze zei dat ze me miste bij de koffie en dat niemand kwaad was. Ik geloof haar ook wel. Alleen zei ze daarna: ‘Henk komt toch wel zaterdag? Anders is het ook zo ongezellig voor hem.’

Ik hoorde mezelf zeggen dat hij volwassen genoeg was om dat zelf te bepalen. Jannie keek even vreemd, zette het plantje op tafel en begon over haar kleindochter. Ik schaamde me zodra de deur dichtviel.

Henk heeft zich inmiddels opgegeven. Alleen. Hij vertelde het alsof hij een afspraak bij de tandarts had gemaakt. ‘Ik ga van twee tot zes. Daarna eet ik wel iets daar, denk ik.’

Ik heb gezegd: ‘Prima.’ Maar ik bedoelde niet prima.

Misschien wil ik dat hij thuisblijft omdat ik dan niet hoef te voelen dat ik alleen ben in iets wat ik zelf niet gekozen heb. Misschien is dat oneerlijk. Tegelijk voelt het alsof hij, door daar vrolijk tussen iedereen te staan, laat zien dat het probleem bij mij ligt en nergens anders.

Vanmiddag heeft hij gevraagd of ik iets van de slager wil voor zaterdag, zodat ik thuis makkelijk kan eten. Ik zei dat ik wel diepvriespizza neem. Hij keek daar niet blij bij, maar hij zei niets.

Het gele kaartje ligt nu in de papierbak. Het plantje van Jannie staat op de eettafel. Ik vergeet steeds water te geven, maar het hangt nog niet slap.