Na veertig jaar vriendschap durfde ik niet meer op te nemen als Ria belde

Ik wist dat er iets niet goed zat toen ik Ria’s naam op mijn telefoon zag en ik hem omdraaide op tafel.

Dat klinkt misschien hard. Ria was nota bene een van de mensen die ik het langst ken. We leerden elkaar kennen op de camping in Drenthe, in 1982. Kees had toen een oude Volvo die elke vakantie wel een keer moest worden aangeduwd. Marijke en ik hadden net ons eerste koophuis in Almere en geen idee hoe we ooit de hypotheek zouden betalen. Sindsdien vierden we verjaardagen samen, aten we bijna elke vrijdag bij elkaar en gingen we jarenlang wandelen en fietsen. Niet van die vrienden die je alleen op Facebook feliciteren. Echte vrienden. Althans, zo voelde het.

Kees is nu 66. Vorig voorjaar begon hij afspraken door elkaar te halen. Eerst waren het kleine dingen. Hij vroeg tijdens het eten drie keer of onze dochter nog in Utrecht woonde, terwijl ze al jaren in Zwolle zit. Daarna stond hij op een dinsdagmiddag bij ons voor de deur omdat hij dacht dat we zouden gaan varen. Hij kon er zelf nog om lachen, maar Ria niet. Die werd bleek en kortaf.

De diagnose kwam in oktober: Alzheimer, nog in een vroeg stadium. Ik weet nog dat we na dat gesprek bij Ria en Kees aan de eettafel zaten. Er stonden vier glazen wijn, maar niemand dronk echt. Ria bleef maar zeggen dat ze het samen wel zouden redden. Kees zei weinig. Hij keek naar het kleedje op tafel alsof daar iets op stond geschreven.

Marijke pakte Ria’s hand vast en zei natuurlijk dat we er voor hen waren. Ik zei dat ook. Je zegt op zo’n moment niet: wat bedoel je precies met ‘er zijn’ en hoeveel uur per week denk je dan aan?

In het begin ging het vanzelf. Ik reed een keer mee naar het ziekenhuis omdat Ria niet wilde dat Kees alleen in de wachtkamer zat wanneer zij naar het toilet moest. Marijke haalde boodschappen toen Ria griep had. We namen Kees op woensdagmiddag mee naar de volkstuinvereniging, omdat hij daar altijd zo van opknapte. Hij wist dan niet meer precies welke tomaten van hem waren, maar hij had plezier. Dat was genoeg.

Alleen werd woensdagmiddag elke woensdag. Daarna kwam er zaterdag bij, omdat Ria naar de kapper moest en bang was dat Kees de voordeur open zou doen voor iedereen. Vervolgens belde ze ook als er niets concreets was.

‘Hij is zo onrustig vandaag, Henk. Kun jij misschien even langskomen? Hij luistert beter naar jou.’

Dat laatste sneed me elke keer een beetje. Alsof ik iets kon wat zij niet kon. Terwijl ik meestal gewoon naast Kees zat, voetbal keek en antwoord gaf op dezelfde vragen. Soms vertelde hij een verhaal uit zijn tijd bij de PTT vier keer achter elkaar. De eerste keer luisterde ik aandachtig. De vierde keer merkte ik dat ik naar de klok keek, en daarna schaamde ik me daar weer voor.

Ria wilde geen thuiszorg, geen casemanager, geen dagbesteding. De huisarts had volgens haar meteen met allerlei instanties lopen strooien. Ze zei dat Kees geen patiënt wilde zijn en dat vreemden in huis hem alleen maar van streek zouden maken.

‘Hij kent jullie,’ zei ze. ‘Bij jullie is hij zichzelf.’

Maar wij waren geen zorgverleners. Dat durfde ik pas veel later hardop te zeggen.

Marijke trok het eerder dan ik. Zij werkt nog drie dagen per week op een basisschool en komt vaak moe thuis. Toch stond ze op donderdagavond geregeld bij Ria de medicijndoos door te nemen, omdat Ria bang was iets verkeerd te doen. Ik ben sinds vorig jaar met pensioen, dus blijkbaar werd mijn tijd vanzelf minder waard. Ik had mij verheugd op lange fietstochten, eindelijk de schuur opruimen, af en toe een paar dagen met de camper weg. In plaats daarvan hield ik mijn agenda leeg, voor het geval dat.

We kregen er ook ruzie over, Marijke en ik. Niet grote schreeuwpartijen, eerder van die nare, vermoeide gesprekken in de keuken.

‘Je hoeft niet altijd meteen te gaan,’ zei zij.

‘En als hij buiten verdwaalt? Dan had ik misschien iets kunnen doen.’

‘Maar jij kunt ook niet voorkomen dat hij Alzheimer heeft, Henk.’

Dat wist ik natuurlijk. Alleen voelde het anders. Kees was degene die mij na het overlijden van mijn vader iedere zaterdag uit huis trok. Hij hielp me ooit drie weekenden met onze aanbouw, zonder iets terug te willen. Hij was getuige op onze bruiloft. Je rekent dat niet uit, maar je voelt wel dat je niet zomaar kunt zeggen: zoek het verder maar uit.

De vakantie was het punt waarop alles scheef ging.

We zouden in juni twee weken naar de Ardèche gaan. Niet bijzonder luxe, gewoon met de camper. Alles was al betaald. Marijke had er maanden naar uitgekeken, vooral omdat het afgelopen jaar zo benauwd voelde. Ria wist ervan. Ze had zelfs gezegd dat ze het ons gunde.

Een week voor vertrek belde ze op zondagavond. Kees had die middag geprobeerd naar zijn oude werk te fietsen. Hij was na een uur door een buurman aan de andere kant van het dorp gevonden. Ria klonk kapot. Ik reed erheen en bleef tot bijna middernacht.

Toen ik weg wilde, zei ze: ‘Jullie gaan nu toch niet weg volgende week?’

Ik dacht eerst dat ik haar verkeerd verstond.

Ze zei dat ze niet twee weken alleen kon zijn. Haar zus woonde in Groningen, haar zoon had een drukke baan en ‘bovendien begrijpt die er niks van’. Ze verwachtte niet dat wij de hele tijd bij hen zouden wonen, zei ze, maar misschien konden we de vakantie verplaatsen. Kees vertrouwde ons. Als wij in de buurt waren, zou het wel gaan.

Ik heb niks gezegd. Dat is misschien nog het lafste eraan. Ik zei alleen dat ik het met Marijke zou bespreken.

Thuis zat Marijke in haar badjas op de bank. Ik vertelde het en zag haar gezicht dichtklappen. Niet boos meteen. Eerst gewoon ongeloof.

‘Ze vraagt dus of wij onze vakantie opgeven omdat zij geen hulp wil?’

‘Ze is bang,’ zei ik.

‘Dat snap ik. Maar wij zijn toch geen plan voor als de rest niet uitkomt?’

De volgende dag hebben we Ria samen gebeld. Marijke deed het woord, omdat ik bleef draaien. Ze zei dat we Kees en haar wilden helpen om vóór onze vakantie contact op te nemen met de casemanager dementie en te kijken naar respijtzorg of dagopvang. We konden meegaan naar het gesprek. We konden ook een lijst maken van mensen die af en toe konden inspringen. Maar we zouden niet thuisblijven.

Ria werd heel stil. Daarna zei ze dat ze ons kennelijk verkeerd had ingeschat.

Dat kwam harder aan dan ik verwachtte.

Ze zei ook dat mensen makkelijk over professionele hulp praten als ze zelf niet degene zijn die ’s nachts wakker ligt omdat haar man naar beneden loopt en niet meer weet waar de wc is. Daar had ze gelijk in. Maar toen zei ze: ‘Kees zou dit voor jullie ook gedaan hebben.’

En daar had ik geen goed antwoord op.

We zijn toch gegaan. De eerste dagen in Frankrijk keek ik voortdurend op mijn telefoon. Er waren berichten van Ria, soms alleen: “Vandaag is zwaar.” Ik wist niet wat ik daarop moest zeggen vanuit een campingstoel met een half glas rosé in mijn hand. Een keer belde ik terug en hoorde ik Kees op de achtergrond vragen wie ik was. Ria zei snel dat hij een slechte dag had en verbrak de verbinding.

Na onze vakantie was er wel een casemanager betrokken. Ria vertelde het alsof ze had verloren van ons. Kees gaat nu één dag per week naar een ontmoetingscentrum. Ria zegt nog steeds dat hij het verschrikkelijk vindt, terwijl hij zelf tegen mij zei dat ze daar goede koffie hebben en een man die ook bij de PTT had gewerkt. Misschien vond hij het echt vreselijk. Misschien wist hij het de volgende dag niet meer.

We gaan nog steeds op vrijdagavond langs, maar niet elke week. Ik neem soms niet meteen op als Ria belt. Daarna bel ik meestal wel terug, vaak binnen een uur. Dat voelt als een lelijke middenweg, maar meer heb ik op dit moment niet.

Vorige week vroeg Kees ineens wanneer we weer eens met z’n vieren gaan fietsen. Ria keek naar haar bord. Marijke legde haar hand even op mijn knie onder tafel.

Ik zei dat het voorjaar eraan kwam en dat we wel zouden zien.