Mijn man wil niet mee op de groepsreis, en ik merk dat ik banger ben om mijn vrienden kwijt te raken dan ik wil toegeven
Mijn man Henk heeft afgelopen dinsdag de groepsapp op stil gezet. Niet verlaten, want dat vond hij zelf ook weer kinderachtig, maar hij wilde de meldingen niet meer de hele dag op zijn scherm zien verschijnen.
Ik zag het toevallig toen hij zijn telefoon op tafel liet liggen. Bovenaan stond: ‘De Vrijbuiters (12)’. Zo heten we al sinds 1994, toen we met z’n zessen een weekend naar Terschelling gingen en iemand een veel te groot piratenpak had meegenomen. Inmiddels zijn we met twaalf, met aanhang erbij. Niet iedereen komt altijd, natuurlijk, maar er is elke maand wel iets: eten bij iemand thuis, een wandeling, een museum, jeu de boules in de zomer, een kerstborrel die altijd uitloopt.
Voor mij is het gewoon een vast onderdeel van ons leven. Alsof je op zondag je moeder belt, zoiets. Je hoeft er niet iedere keer zin in te hebben om toch blij te zijn dat het er is.
Henk is sinds januari met pensioen. Hij werkte bij de gemeente, bij vastgoedbeheer, en de laatste jaren telde hij vooral af. Ik werk nog drie dagen per week in de administratie van een fysiopraktijk. Hij had het steeds over ‘eindelijk ruimte in zijn hoofd’. Meer lezen. Fietsen op tijden dat het rustig is. Een cursus Italiaans, misschien. Hij is zelfs een keer naar een meditatieochtend in de bibliotheek geweest, waar hij vroeger hard om gelachen zou hebben.
In het begin vond ik het wel aandoenlijk. Hij rommelde wat in de tuin, maakte op woensdagmiddag soep en stuurde me foto’s van een roodborstje alsof ik nog nooit een vogel had gezien. Maar na een maand begon hij bij elke afspraak met de groep te zuchten.
Niet heel overdreven. Meer van die kleine opmerkingen.
‘Moeten we nou alweer bij Kees en Marjan eten?’
Of: ‘Waarom beslissen we in maart al waar we in november kerst vieren?’
Ik zei dan meestal dat hij niet zo moeilijk moest doen. Kees maakt nu eenmaal graag uitgebreid eten en Marjan wil alles op tijd geregeld hebben. Dat is niet altijd mijn smaak, maar het zijn geen slechte mensen.
Toch snap ik ergens wel wat hij bedoelt. Bij ons wordt veel besloten alsof het vanzelf gaat. Theo stuurt een voorstel in de app, Ellen zet er meteen drie duimpjes onder, en voor je het weet heeft iedereen al betaald. Als iemand niet kan, wordt daar een beetje luchtig overheen gewalst: ‘Jammer joh, volgende keer beter!’ Dan voelt nee zeggen bijna alsof je een stoel onder de tafel vandaan trekt.
Ik ben daar blijkbaar gevoeliger voor dan ik dacht.
Vorige maand kwam de reis ter sprake. Vijf nachten naar de Elzas, met een busje, wijnproeverij, een hotel met wellness en twee gezamenlijke diners. Prijs: 1.175 euro per persoon, exclusief lunches en drankjes. Voor ons samen is dat gewoon veel geld. Niet onmogelijk, we hebben geen schulden en ons huis is bijna afbetaald, maar ik moet er wel over nadenken. Henk vond het direct belachelijk.
‘Voor dat geld kunnen wij drie weken met de caravan weg,’ zei hij.
‘Wij hébben geen caravan,’ zei ik.
Dat was flauw van mij. Ik wist wat hij bedoelde.
Hij wilde liever met z’n tweeën een paar dagen naar Drenthe, buiten het hoogseizoen. Een huisje bij het bos. Zelf koken als we daar zin in hebben. Niet om half acht aan een lange tafel zitten omdat dat in het arrangement zit. Niet in een busje met Theo die de hele weg over politiek begint en daarna zegt dat je tegenwoordig ook niks meer mag zeggen.
Ik zei dat het ook gezellig kon zijn. Dat we al zo lang met elkaar optrekken. Dat je niet alles kapot hoeft te analyseren.
Toen werd hij stil. Hij stond bij het aanrecht een mandarijn te pellen, heel precies, één lange sliert van de schil. Uiteindelijk zei hij: ‘Saskia, ik analyseer het niet. Ik heb er gewoon geen zin meer in.’
Dat kwam harder binnen dan ik verwacht had.
Niet omdat hij geen zin had in die reis, maar omdat hij het zei alsof hij ergens al afscheid van had genomen waar ik nog middenin zat.
Die avond belde Marjan. Ze wilde weten of wij al geboekt hadden, want de optie op de kamers liep bijna af. Ik stond in de gang, met mijn jas nog aan, en ik hoorde Henk in de woonkamer de televisie zachter zetten. Marjan vertelde dat het ‘zo leuk’ zou zijn als iedereen meeging, omdat Peter en Ellen dit jaar veertig jaar getrouwd zijn en het een soort viering kon worden.
Ik hoorde mezelf zeggen: ‘We overleggen nog even.’
Ze bleef heel even stil. Toen zei ze: ‘Ach, Henk moet nu ook wennen aan al die vrije tijd. Dan is zo’n reis juist goed voor hem.’
Ik weet dat ze het niet rot bedoelde. Marjan lost alles op door iets leuks te organiseren. Maar ik voelde irritatie opkomen, ook omdat een deel van mij dacht: zie je wel, ze snapt het gewoon.
Henk hoorde blijkbaar genoeg mee. Toen ik ophing, zei hij: ‘Daar heb je het. Alsof ik gerepareerd moet worden omdat ik niet mee wil.’
Ik zei dat hij er te veel achter zocht.
Hij zei: ‘En jij zoekt er te weinig achter.’
We hebben die avond allebei dingen gezegd waar we niet trots op zijn. Ik zei dat hij sinds zijn pensioen alleen maar met zichzelf bezig was. Hij zei dat ik bang was om geen uitnodigingen meer te krijgen. Dat laatste ontkende ik meteen, veel te fel.
Maar het is niet helemaal onwaar.
Toen ik 52 was, raakte ik mijn baan kwijt bij een drukkerij die failliet ging. Ik kwam toen maanden nauwelijks de deur uit. Henk werkte door, onze kinderen waren al uit huis, en ik voelde me ontzettend overbodig. Juist die groep heeft me er toen een beetje doorheen getrokken, zonder dat ze het waarschijnlijk doorhadden. Ellen nam me mee naar yoga. Kees vroeg of ik mee wilde helpen met een buurtbarbecue. Marjan belde gewoon, ook als ik kortaf deed.
Dus ja, misschien houd ik me eraan vast. Niet alleen aan hen, maar aan de versie van mezelf die bij hen hoort: Saskia die altijd komt, die de verjaardagen onthoudt, die nog mee kan lachen om dezelfde oude verhalen.
Afgelopen zaterdag gingen we naar Theo en Ellen voor de maandelijkse borrel. Henk ging uiteindelijk wel mee, maar hij had van tevoren gezegd dat hij na twee uur naar huis wilde. Ik dacht: prima, dan ga ik later wel op de fiets terug.
Bij binnenkomst lag er op de eettafel al een mapje met het programma van de Elzas. Inclusief kleurige stickers bij de uitstapjes. Theo zei lachend: ‘Kijk, daar zijn onze twijfelaars. Niet te lang twijfelen hoor, anders zit je straks op de achterbank van het busje.’
Iedereen lachte. Henk niet.
Hij pakte het mapje op, bladerde erdoorheen en zei heel rustig: ‘Wij gaan niet mee.’
Niet ‘waarschijnlijk niet’, niet ‘we kijken nog’. Gewoon: wij gaan niet mee.
Ik voelde mijn gezicht warm worden. Alsof hij namens mij iets had afgezegd wat nog niet afgezegd was. Ellen keek naar mij. Marjan zei: ‘O, wat jammer. Maar waarom niet?’
Henk haalde zijn schouders op. ‘Omdat ik geen behoefte heb aan een groepsreis.’
Theo maakte nog een grapje over kluizenaarschap, maar het viel dood. Daarna ging het gesprek over iets anders, alleen bleef er een rare spanning hangen. Henk vertrok na anderhalf uur. Ik bleef. Uit koppigheid misschien. Of omdat ik niet wist wat ik anders moest doen.
Toen ik thuiskwam, lag hij al in bed. Zijn kant van het nachtkastje lag vol met brochures van fietsreizen en een schrift van die Italiaanse cursus. Ik ben niet naast hem gaan liggen. Ik heb op de logeerkamer geslapen, wat belachelijk kinderachtig voelde op onze leeftijd.
Nu, een paar dagen later, heeft Marjan een bericht gestuurd in de app: ‘Jammer dat Henk en Saskia niet meegaan, maar we respecteren natuurlijk ieders keuze.’ Met een hartje erachter. Daarna stuurde Ellen privé of alles wel goed gaat tussen ons.
Ik heb nog niet geantwoord.
Henk wil komende vrijdag een weekendje Drenthe boeken. Hij heeft twee huisjes gevonden en vraagt welke ik het leukste vind. Ik kijk ernaar en denk dat ik eigenlijk mee wil. Ik wil ook niet dat hij zich de rest van zijn pensioen moet voegen naar afspraken waar hij tegenop ziet.
Maar ik heb de Elzas nog niet afgezegd. De betaling moet volgende week gedaan worden. En elke keer als ik de groepsapp open, zie ik alweer foto’s van wandelschoenen, wijnflessen en mensen die schrijven dat ze er zóveel zin in hebben.
Ik weet nog steeds niet of ik bang ben om mijn vrienden teleur te stellen, of bang ben om te merken dat ze zonder mij net zo goed doorgaan.