Mijn zoon woont in ons bijgebouw, maar mijn vrouw vindt dat ik te veel van hem vraag
Ik wist dat het mis zat toen ik op een maandagmorgen zelf weer op een trap stond, met mijn linkerknie die al weken zeurt, om bladeren uit de dakgoot van het bijgebouw te halen.
Het had de hele nacht geregend. Mijn broek was nat bij de knieën en ik kon niet goed bij de hoek, waar het water over de rand liep. Binnen hoorde ik onze kleinzoon, Mees, lachen. Hij zat waarschijnlijk met zijn autootjes op de grond. Dat geluid maakte me tegelijk blij en verschrikkelijk kwaad.
Mijn zoon Daan woont daar nu ruim een jaar, met zijn vriendin Lotte en Mees. Het bijgebouw stond vroeger vol met mijn gereedschap, oude fietsen en dozen waarvan je denkt dat je ze ooit nog nodig hebt. Toen ik nog bij de gemeente werkte, heb ik het zelf opgeknapt. Isolatie erin, een kleine badkamer, keukenblokje. Eerst voor als mijn schoonmoeder ouder werd. Dat is er nooit van gekomen.
Daan en Lotte woonden toen in een appartement in Nieuwegein, boven een snackbar. Twee kamers, een balkon waar je net een wasrek kwijt kon. Toen Lotte zwanger was, zeiden ze nog dat ze wel iets zouden vinden. Maar ja, wat vind je tegenwoordig als je niet allebei een topinkomen hebt en geen ton aan overwaarde van je vorige huis?
Daan werkt in de planning bij een transportbedrijf. Lotte werkt drie dagen in de kinderopvang. Ze zijn geen luie mensen, dat wil ik ook niet zeggen. Daan heeft altijd gewerkt. Alleen, sinds hij vader is geworden, lijkt alles waar hij geen zin in heeft ineens buiten zijn bereik te liggen.
Mijn vrouw, Ellen, kwam zelf met het idee van het bijgebouw. Ze zei: “Het is toch zonde dat het daar leegstaat? Dan hebben ze een kans om te sparen.”
Ik vond dat ook. Echt. Ik wilde mijn zoon niet zien tobben met tijdelijke huurcontracten en verhuizingen. We hebben daarom afgesproken dat ze een kleine bijdrage zouden betalen voor gas, water en licht. Geen echte huur. Vierhonderd euro per maand, terwijl ze voor zoiets anders misschien het drievoudige kwijt waren.
Ik had één duidelijke voorwaarde. Niet eens ingewikkeld. Daan zou meehelpen met het onderhoud rondom het huis. Onze tuin is groot, bijna negenhonderd vierkante meter. Vroeger vond ik dat prachtig. Een grasveld, borders, twee oude appelbomen, de haag langs de sloot. Ik heb er mijn hele leven aan gewerkt. Maar ik ben negenenzestig en mijn schouder is vorig jaar geopereerd. Ik kan nog veel, maar niet meer uren achter elkaar snoeien, sjouwen met tegels en op ladders staan alsof ik dertig ben.
Daan zei toen: “Natuurlijk, pa. Dat is toch logisch.”
De eerste maanden ging het nog. Hij hielp één zaterdag met de schutting verven. Hij heeft ook een keer een aanhanger naar de stort gereden. Daarna werd het vager. Hij moest werken. Mees was ziek. Lotte had een late dienst. Ze gingen een weekend naar haar ouders in Brabant. Allemaal dingen die kunnen gebeuren.
Maar ondertussen groeide de haag door, lag er mos op het terras en bleef de lekke kraan in het bijgebouw twee weken druppen omdat Daan “er nog even naar zou kijken”. Uiteindelijk heb ik die zelf gemaakt. Ik stond daar met mijn knieën op de tegels, terwijl hij binnen op zijn laptop zat. Misschien was hij echt aan het werk. Misschien ook niet. Ik heb het hem niet gevraagd, want ik voelde dat ik dan iets zou zeggen waar ik spijt van kreeg.
Ellen zegt steeds dat ik te veel zit te tellen.
“Je houdt een administratie bij van wat hij niet doet,” zei ze laatst.
Dat was hard, omdat er misschien iets in zit. Ik zie het als ik om zeven uur ’s ochtends de kliko’s buiten zet en zijn auto er nog staat. Ik zie het als ik de takken van de wilg naar de milieustraat breng. Ik zie het wanneer Daan op zondagmiddag met Mees langsloopt naar de speeltuin, terwijl ik met pijn in mijn rug onder de carport sta te rommelen.
En dan schaam ik me ook nog, omdat ik kennelijk niet gewoon kan genieten van mijn zoon en kleinzoon zo dichtbij.
Twee weken geleden heb ik Daan gevraagd om even koffie te drinken. Ellen zat erbij, heel stil. Ik had van tevoren op een kladblok geschreven wat ik wilde zeggen, omdat ik anders ga hakkelen of boos word. Dat kladblok heb ik uiteindelijk niet gebruikt.
Ik zei dat de afspraak niet werkt. Dat ik geen gratis hulp verwachtte, maar wel dat hij doet wat we hebben afgesproken. En dat, als hij daar geen tijd of zin voor heeft, hij vanaf 1 januari een normale huur moet gaan betalen. Niet de hoofdprijs, maar wel genoeg dat we iemand kunnen inschakelen voor het zware werk.
Daan keek me aan alsof ik hem een rekening stuurde voor zijn jeugd.
“Dus nu moet ik betalen omdat ik niet elke zaterdag in jouw tuin sta?” zei hij.
“Niet mijn tuin, Daan. Ons huis. En je woont ernaast.”
Hij lachte een beetje, maar niet vriendelijk. “Ik werk veertig uur. Lotte ook. We hebben een kind van twee. Jullie zijn met pensioen. Jullie hebben tijd.”
Dat deed me meer dan ik had verwacht. Niet omdat het onwaar is dat wij tijd hebben. We hebben inderdaad meer tijd. Maar tijd is niet hetzelfde als een sterke rug, of zonder moeite een kruiwagen met natte aarde kunnen duwen.
Ellen zei toen dat we rustig moesten blijven. Dat het nergens voor nodig was om er zo’n punt van te maken. Maar ik hoorde aan haar stem dat zij vooral bang was voor wat er zou gebeuren als Daan kwaad wegging.
Ik heb tegen hem gezegd dat het niet alleen over die tuin gaat. Dat hij hier woont voor een bedrag waar hij in de stad nog geen kamer voor krijgt. Dat we hem graag helpen, maar dat helpen niet betekent dat hij achterover kan leunen en wij alles opvangen.
Hij werd rood. “Jullie doen alsof ik misbruik van jullie maak.”
Ik zei: “Zo voelt het soms wel.”
Dat had ik misschien anders moeten zeggen. Of helemaal niet. Hij pakte zijn jas en vertrok zonder koffie. Lotte stuurde Ellen die avond een lang bericht dat ze zich rot voelde en dat Daan zich vernederd voelde. Ellen heeft mij dat bericht niet meteen laten lezen. Pas de volgende dag, toen we allebei nauwelijks hadden geslapen.
Sindsdien is het ongemakkelijk. Mees komt nog wel bij ons binnen, want hij snapt er gelukkig niets van. Hij roept “opa!” en klimt op de bank met een cracker in zijn hand. Daan groet kort. Lotte probeert vriendelijk te doen, misschien té vriendelijk. Alsof we buren zijn die een meningsverschil hebben over een schutting.
Ik heb een brief gemaakt met de afspraken erin. Niet juridisch, gewoon duidelijk: of hij helpt structureel mee, met vaste klussen en momenten, of hij gaat vanaf januari achthonderdvijftig euro huur betalen. Als hij dat ook niet wil, moet hij voor 1 april iets anders zoeken. Ik heb hem nog niet gegeven.
Ellen vindt die laatste datum te hard. Ze zegt dat je je kind niet op straat zet, zeker niet in deze markt. Daar heeft ze gelijk in. Alleen zet ik hem ook niet op straat. Hij heeft maanden om iets te regelen. En misschien komt het zover niet eens.
Vanmorgen lag er opeens een appje van Daan: of we zaterdag kunnen overleggen welke klussen er precies gedaan moeten worden. Geen excuses. Geen ‘pap, het spijt me’. Alleen die ene zin.
Ik heb nog niet geantwoord. Niet omdat ik hem wil straffen. Ik zit gewoon te kijken naar mijn telefoon en ik weet niet of dit een begin is, of alleen een manier om de deadline uit te stellen.
Buiten ligt de tuin er winterklaar bij. Er moet nog van alles gebeuren, maar vandaag niet. Mijn knie is dik en Ellen heeft koffie gezet. Mees komt vanmiddag een paar uur, omdat Lotte moet werken.
De brief ligt nog steeds in de la van het dressoir.