Ik wilde niet nog een middag doen alsof alles normaal was

De uitnodiging voor het vijftigjarig huwelijk van Henk en Marja lag drie dagen op de keukentafel voordat ik hem in de la met de pennen schoof. Niet omdat ik vergeten was te reageren. Juist omdat ik er elke keer naar keek als ik koffie zette.

‘Je hebt nog niks ingevuld,’ zei Koos op de vierde ochtend.

Ik zei dat ik het wist.

Henk en Marja zijn al langer getrouwd dan wij. Wij leerden elkaar kennen op een camping in Frankrijk, ergens eind jaren tachtig, met kleine kinderen, een te kleine tent en van die plastic campingstoelen die na twee weken doorzakken. Daarna werd het een vaste groep: Henk en Marja, Erik en Liesbeth, wij tweeën. Eerst gingen we ieder jaar een weekend weg, later vakanties. Sinds Koos vorig voorjaar met pensioen is en ik in januari stopte bij de apotheek, zien we elkaar eigenlijk nog vaker. Elke woensdag koffie bij iemand thuis, eens per maand eten, en altijd wel plannen voor een fietstocht of museum.

Daar hadden we ons zo op verheugd. Niet op stilzitten, maar op eindelijk tijd hebben.

Alleen werd bij Erik vorig najaar beginnende Alzheimer vastgesteld. Zo heet het officieel. Liesbeth zegt meestal gewoon: ‘zijn geheugen laat hem in de steek.’ Alsof het een jas is die ergens achterblijft.

In het begin merkte je het nauwelijks. Erik vroeg twee keer hoe laat we zouden vertrekken. Of hij vertelde hetzelfde verhaal over zijn oude baas nog een keer. Daar kun je toch om lachen, vond Koos. Iedereen vergeet weleens wat.

Maar het ging sneller dan ik had verwacht. Tijdens een weekend in Maastricht wist Erik op zaterdagavond niet meer in welk hotel hij sliep. Hij had zijn portemonnee in de koelkast van de ontbijtruimte gelegd. Bij het Vrijthof raakte hij ons kwijt terwijl wij letterlijk twintig meter verder bij een terrasje zaten. Liesbeth bleef naar buiten toe heel rustig. Ze zei: ‘Hij is gewoon even gaan lopen.’ Maar ik zag haar handen trillen toen ze haar telefoon vasthield.

Sindsdien is geen uitje meer gewoon een uitje.

Koos gaat automatisch naast Erik lopen. Hij onthoudt de jassen, de tassen, de parkeerplek. Als Erik naar het toilet gaat, kijkt Koos op zijn horloge. Niet opvallend, denkt hij zelf. Het is wel opvallend. Iedereen merkt het.

Marja praat harder en langzamer, wat Erik verschrikkelijk vindt. Henk maakt steeds grapjes als Erik iets opnieuw vertelt. ‘Dat verhaal ken ik nog helemaal niet, Erik,’ zegt hij dan, waarna iedereen ongemakkelijk lacht. Liesbeth lacht het hardst, en daar kan ik slecht tegen. Niet omdat ze iets verkeerd doet. Eerder omdat ik niet weet wat ik anders zou moeten doen.

Ik ben bang dat ik kil klink. Ik geef om Erik. Echt. Hij was degene die Koos destijds naar het ziekenhuis reed toen Koos zijn hartproblemen kreeg. Hij kwam elke zondag langs na mijn knieoperatie, met een zak verse broodjes van de bakker. Hij kent onze kinderen al hun hele leven. Als mijn zoon Bram vroeger wilde spijbelen, vertelde Erik hem op zo’n overdreven plechtige toon dat hij dan persoonlijk de schooldirecteur zou bellen. Bram was doodsbang voor hem en dol op hem tegelijk.

Maar ik merk ook dat ik dagen van tevoren buikpijn krijg van afspraken met de groep.

Vorige maand zaten we bij ons aan tafel. Ik had stoofperen gemaakt, omdat Liesbeth daar gek op is. Erik vroeg tijdens het eten vier keer waar Bram tegenwoordig woonde. Vier keer antwoordde ik: in Amersfoort, met Sanne. De vierde keer zag hij aan mijn gezicht dat ik moe was. Niet boos misschien, maar ook niet vriendelijk genoeg.

Hij keek naar zijn bord en zei: ‘Ik word lastig, hè?’

Niemand zei meteen iets. Dat was het ergste.

Koos zei daarna: ‘Welnee joh, hou op.’ Veel te snel.

Erik knikte alsof hij hem geloofde, maar hij at bijna niets meer.

Toen iedereen weg was, zei ik tegen Koos dat ik niet meer ieder uitje wilde doen. Dat we misschien weer eens met z’n tweeën moesten fietsen, of met Henk en Marja naar een tentoonstelling. Niet als geheim plan om Erik buiten te sluiten, zei ik, maar gewoon omdat ik niet altijd in die gespannen sfeer wilde zitten.

Koos stond de vaatwasser in te ruimen. Hij zette een bord iets te hard neer.

‘Dus als het moeilijk wordt, laat jij iemand vallen.’

Dat zei hij echt zo.

Ik zei dat ik niemand liet vallen. Ik zei dat Liesbeth professionele hulp moest regelen als ze die nodig had, en dat wij geen vervanging konden zijn voor haar of voor dagbesteding of wat er allemaal bestaat. Ik wist niet eens precies wat er mogelijk was. Ik praatte waarschijnlijk te praktisch omdat ik me aangevallen voelde.

Koos draaide zich om en zei: ‘Erik zou dit voor ons doen.’

Daar kon ik weinig tegenin brengen. Hij zou het inderdaad doen. Misschien zou hij zelfs te veel doen.

Maar ik ben Erik niet. En Koos is ook niet degene die na zo’n middag wakker ligt van dat ene zinnetje: ik word lastig, hè?

De uitnodiging voor het jubileum kwam kort daarna. Een lunch in een restaurant aan de Vecht, met familie, kinderen, kleinkinderen en onze groep. Koos wilde er vroeg heen, omdat Erik en Liesbeth ook zouden komen en Liesbeth had gevraagd of iemand Erik een beetje in de gaten kon houden als zij met de kleinkinderen van Marja praatte.

Ik las dat appje drie keer.

‘Een beetje in de gaten houden’ betekende inmiddels dat je niet ontspannen naar de wc ging zonder het te zeggen. Dat je niet zomaar een gesprek afmaakte als Erik opstond. Dat je voortdurend dacht: heeft hij zijn jas, is hij hier nog, raakt hij niet in paniek als iedereen tegelijk opstaat?

Ik heb toen gezegd dat ik niet meeging.

Koos werd heel stil. Dat is bij hem erger dan boos worden. Hij vroeg alleen of ik begreep hoe pijnlijk dat voor Henk en Marja zou zijn. En voor Liesbeth.

Ik zei ja. Maar ik vroeg of hij begreep dat ik niet naar een jubileum wilde waar ik me al schuldig voelde voordat ik mijn jas aanhad.

Hij ging uiteindelijk alleen. Hij kwam pas na achten thuis. Ik had de hele middag een slechte film gekeken zonder te weten waar die over ging. Om half zes stuurde Marja een foto in de groepsapp. Henk met zijn arm om haar heen, taart op tafel, Erik ernaast met een papieren kroontje op. Hij lachte breed, maar zijn ogen stonden ergens anders.

Koos zei thuis dat het eigenlijk goed was gegaan. Daarna vertelde hij dat Erik vlak voor vertrek niet meer wist waarom ze daar waren. Marja had het hem uitgelegd. Henk had hem op zijn schouder geklopt. Iedereen was even stil geweest, zei Koos.

Ik vroeg of Liesbeth het zwaar had.

‘Natuurlijk heeft ze het zwaar,’ zei hij.

Dat klonk alsof ik daar nog nooit over had nagedacht.

Sinds die dag gaan we nog steeds op woensdag koffie drinken, maar niet altijd samen. Vorige week ging Koos alleen naar Erik en Liesbeth om een plank in de schuur op te hangen. Ik ging met Marja wandelen. We hebben bijna een uur over haar dochters gepraat en pas aan het eind over Erik. Ik voelde me daar schuldig over, maar ook opgelucht.

Het weekend naar Zeeland, dat al maanden gepland stond, is voorlopig uitgesteld. Niemand zegt af. In de app blijven we praten over andere data, alsof een geschikte datum het probleem is.

De uitnodiging voor het jubileum ligt nog steeds in de pennenla. Ik heb hem niet weggegooid. Koos ook niet, denk ik. Soms zie ik hem die la openmaken en dan weer dichtdoen, zonder dat hij iets pakt.