Sinds Henk met pensioen is, lijkt onze vriendengroep ineens niet meer te weten waar we bij horen

De tafel voor de eerste vrijdag van de maand staat nog steeds in onze agenda. Alsof er nooit iets gebeurd is.

Normaal gesproken gaan we dan met z’n achten eten bij De Linde, een eetcafé net buiten het dorp. Soms doen we eerst een rondje door het bos, vroeger met de kinderen erbij en tegenwoordig alleen nog met wandelstokken, regenjassen en iedereen die roept dat hij of zij écht geen jas nodig heeft. Daarna eten we saté of schnitzel, omdat niemand daar ooit iets spannends bestelt, en na afloop drinken we koffie bij ons of bij Frank en Marja.

We doen dit al ruim dertig jaar.

Ik ben 64, mijn man Henk is 66. Frank werkte met Henk bij de gemeente, hoewel Frank al jaren bij de buitendienst zat en Henk op kantoor. Marja en ik leerden elkaar kennen bij de peuterspeelzaal, toen onze oudste kinderen nog op elkaar beten om een plastic tractor. Ria en Kees wonen drie straten verderop. Bas en Ellen kwamen later, via de tennisvereniging. Het is zo’n groep geworden waarin je niet hoeft uit te leggen wie er ziek is, welke dochter weer een andere baan heeft, of waarom iemand stil is.

Toen Henk in januari met pensioen ging, dacht ik eerlijk gezegd: eindelijk.

Hij heeft bijna veertig jaar elke ochtend om half zeven op zijn fiets gezeten. Ook als het vroor, ook als hij griepig was, ook toen zijn moeder in het ziekenhuis lag. Hij was nooit iemand die veel klaagde, maar de laatste jaren merkte ik dat hij moe thuiskwam. Niet lichamelijk moe, eerder op. Alsof hij geen ruimte meer had in zijn hoofd.

De camper was eerst een grapje. We stonden op een zondag bij een dealer in Barneveld omdat we eigenlijk naar een tuincentrum wilden. Henk wilde ‘even kijken’. Twee uur later zat hij achter een stuur alsof hij al onderweg was naar de Dolomieten.

Hij zei in de auto terug: “Stel dat we gewoon drie maanden weggaan. Niet plannen om de kinderen heen, niet terug voor een verjaardag waar niemand op zit te wachten. Gewoon weg.”

Ik lachte toen. Maar ik voelde ook iets. Een soort lichtheid die ik lang niet had gevoeld. Niet meer steeds bedenken wie we moesten helpen, waar we verwacht werden, of we op tijd terug moesten zijn voor de volgende afspraak.

We hebben uiteindelijk geen nieuwe camper gekocht, maar een nette tweedehands. Wit, veel te groot naar mijn idee, met een luifel die Henk thuis op de oprit drie keer heeft uitgeklapt. Hij noemt hem voor de grap onze ‘kleine woning op wielen’, terwijl ik vooral zie hoeveel kastjes ik moet schoonhouden.

We vertelden het tijdens een etentje bij Frank en Marja. Niet eens als groot nieuws. Henk zei dat we vanaf september waarschijnlijk naar Frankrijk, Spanje en Portugal wilden. Eerst drie maanden. Misschien langer als het goed beviel.

Het bleef opvallend stil.

Marja zei als eerste: “Maar dan zijn jullie er dus niet met de kerstmarkt in Deventer?”

Dat klonk bijna komisch, want we zijn daar maar twee keer geweest. Henk zei dat we misschien voor kerst terug zouden zijn, maar dat we niks wilden vastleggen.

Kees keek naar zijn bord en zei: “Nou ja, je moet doen wat je niet laten kunt.”

Iedereen weet dat die zin bij Kees betekent dat hij het juist heel vervelend vindt.

In de weken erna kwam het telkens terug, alleen nooit rechtstreeks genoeg om er goed op te kunnen reageren. Ria stuurde in de groepsapp een voorstel voor de activiteiten van het najaar: mosselen eten, museumbezoek in Utrecht, de vaste nieuwjaarsborrel, een weekendje aan zee in maart. Achter elk bericht van ons waarin we zeiden dat we waarschijnlijk weg waren, kwam uiteindelijk een duimpje. Meer niet.

Toen belde Marja mij apart.

Ze zei dat ze het Henk gunde, echt waar. Maar volgens haar ging het niet alleen om een paar etentjes missen. “Jullie zijn toch een beetje de spil, Annemieke. Bij jullie komen we meestal bij elkaar. En Henk regelt altijd dat weekend. Als jullie straks maandenlang weg zijn, valt het uit elkaar.”

Ik weet nog dat ik met de telefoon in mijn hand bij de wasmachine stond. Er lagen handdoeken op de grond die ik nog moest opvouwen. Ik zei dat een groep toch niet van twee mensen af moest hangen.

“Dat zeg jij nu,” zei ze. “Maar jij weet ook hoe het gaat. Bas haakt snel af, Ellen vindt autorijden in het donker niks, Ria en Kees hebben sinds dat gedoe met hun zoon weinig zin in drukte. Het is niet meer zoals vroeger.”

Daar had ze gelijk in. En juist daarom deed het pijn.

Een paar dagen later hadden we koffie bij Frank en Marja. Henk wist al dat er iets speelde, want ik had het hem verteld. Hij vond dat ik te veel verantwoordelijkheid naar me toe trok. Misschien was dat ook zo.

Frank zei uiteindelijk dat ze zich afvroegen of we onze reis niet anders konden doen. Zes weken weg, bijvoorbeeld. Of steeds tussendoor terugkomen. Hij had het voorzichtig gebracht, maar de boodschap was helder: zorg dat de vaste momenten doorgaan.

Henk werd rood in zijn nek. Dat gebeurt als hij boos wordt en probeert beleefd te blijven.

“Dus ik ben net gestopt met werken,” zei hij, “en dan moet ik een rooster van jullie overnemen?”

“Nee, zo bedoel ik het niet,” zei Frank meteen.

“Nou, zo komt het wel over.”

Marja zei dat niemand hem iets wilde verbieden. Dat ze alleen bang waren elkaar kwijt te raken. Henk antwoordde dat je elkaar niet kwijtraakt omdat iemand een tijdje in Spanje staat. Daar was ook weer iets voor te zeggen, maar ik zag Marja’s gezicht dichtgaan.

Ik zei bijna niks. Daar schaam ik me achteraf voor. Ik zat letterlijk tussen mijn man en mijn vriendin in, met een kop koffie die koud werd, en ik wilde vooral dat het gesprek voorbij was.

Thuis kregen Henk en ik ruzie. Niet schreeuwen, meer dat nare soort waarbij je allebei dingen zegt die je al langer hebt opgespaard.

Hij vond dat ik liever iedereen tevreden hield dan dat ik met hem meeging. Ik zei dat hij deed alsof ik geen eigen leven had opgebouwd in al die jaren. Alsof de camperdroom alleen maar van hem was en ik vanzelf wel achter hem aan zou rijden met mijn sudoku’s en mijn wandelschoenen.

Dat was gemeen. Hij heeft me nooit zo behandeld. Hij had juist gezegd dat we alleen zouden gaan als ik het ook wilde.

Maar ik wílde het ook. Dat maakte het zo lastig.

Vorige vrijdag zijn we alsnog naar De Linde geweest. Met z’n achten. Er werd veel gepraat over de knieën van Kees, de verbouwing bij Bas en Ellen en de prijs van boodschappen. Iedereen deed zijn best normaal. Henk ook. Hij vertelde zelfs dat hij een fietsendrager had gevonden die niet achter de camper uitsteekt.

Aan het eind zei Ria: “Dus september is echt zeker?”

Henk knikte.

Er viel weer zo’n stilte, kort dit keer. Toen zei Frank: “Dan doen we in augustus maar een goed afscheidsdiner. Geen gedoe, gewoon gezellig.”

Niemand zei dat het geen afscheid moest heten.

Op de terugweg reed Henk zwijgend. Thuis zette hij de camper voor het eerst achteruit de oprit op zonder dat ik erbij stond te gebaren. Hij deed het in één keer goed.

Ik stond achter het keukenraam te kijken en voelde me tegelijk trots op hem en vreselijk verlaten, terwijl we nog niet eens weg zijn.