Na dertig jaar vriendschap bleek onze pensioentijd ineens minder van onszelf dan we dachten

Vorige week stond ik om half acht ’s ochtends in de Albert Heijn met een lijstje in mijn hand waarop onder meer pudding, incontinentiemateriaal en zoutloze soep stonden. Ik had eigenlijk met mijn vrouw Marijke naar onze volkstuin gewild. Het was een van die eerste droge ochtenden en we hadden eindelijk tijd, nu ik sinds januari met pensioen ben.

Maar ik stond dus bij het schap met de soep, omdat Henk niet meer zelf naar buiten kon en Els zei dat ze erdoorheen zat.

Henk en Els kennen we al ruim dertig jaar. We woonden vroeger twee straten van elkaar in Amersfoort, toen onze kinderen nog klein waren en iedereen haast had. Onze oudste dochters zaten bij elkaar in de klas. We deelden oppasavonden, campingvakanties in Frankrijk, kapotte wasmachines en later ook zorgen waar je toen nog geen woorden voor had.

Toen mijn moeder dement werd, zat Els soms drie uur bij haar met een kop thee en oude fotoalbums, zodat ik naar mijn werk kon. Toen Henk in 2009 zijn baan bij de drukkerij kwijtraakte, hielp Marijke hem met zijn sollicitatiebrieven. Hij schaamde zich daar vreselijk voor, maar hij kwam er uiteindelijk weer bovenop. We zijn ook geen mensen die bij ieder ongemak meteen bij elkaar aanbellen, maar tussen ons was altijd iets vanzelfsprekends.

Henk kreeg eind vorig jaar te horen dat hij alvleesklierkanker heeft. Eerst dachten ze nog aan een behandeling die misschien wat tijd kon geven. Daarna ging het ineens hard. Hij werd misselijk, viel af, had pijn en lag na de chemo dagenlang als een prop onder een plaid op de bank. Els belde in die weken vaak. Soms alleen om haar hart te luchten. Daar is niks mis mee. Marijke ging regelmatig langs met eten en ik reed Henk naar het ziekenhuis als Els zelf niet kon.

Alleen verschoof er iets zonder dat we het echt doorhadden.

Eerst vroeg Els of ik op dinsdag de afvalbak buiten wilde zetten. Daarna of Marijke even de was kon opvouwen, omdat Henk een ongelukje had gehad in bed. Vervolgens kwam er een appje met een schema. Maandag boodschappen, dinsdag ziekenhuis of thuisblijven bij Henk, woensdag koken, donderdag administratie en vrijdag ‘even kijken wat nodig is’.

Ik weet nog dat ik naar dat schema keek aan de keukentafel. Marijke had haar bril op haar hoofd gezet, wat ze altijd doet als ze nerveus wordt.

‘Dit is toch geen vraag meer?’ zei ze.

Ik zei dat Els waarschijnlijk gewoon in paniek was. En dat was ze ook. Haar hele leven was in een paar maanden veranderd in pillendoosjes, afspraken bij de poli, vieze lakens en slecht slapen. Ik vond het ook laf van mezelf om op dat moment te denken aan onze eigen plannen. We hadden net een kleine camper gekocht, tweedehands, niks bijzonders. We wilden in mei een paar weken door Nederland trekken. Niet eens ver weg. Friesland, misschien de Waddenkust. Gewoon kijken waar we uitkwamen.

We hadden daar jaren voor gespaard. Niet omdat we rijk zijn, integendeel. Ik heb mijn hele werkzame leven in het magazijn van een bouwmarkt gezeten en Marijke werkte parttime in een huisartsenpraktijk. We waren zuinig geweest. Geen groot huis, geen dure reizen. Juist daarom voelde die vrijheid na mijn pensioen zo kostbaar.

Toch zei ik tegen Els dat we zouden helpen waar we konden.

Dat zinnetje, ‘waar we kunnen’, hoorde zij kennelijk anders dan wij.

Na een paar weken ging Marijke bijna dagelijks langs. Niet alleen voor Henk, maar ook omdat Els dan even kon douchen of naar de apotheek kon. Ik deed boodschappen, belde met de leverancier van een hoog-laagbed en hielp een keer de douchekruk in elkaar zetten. Henk vond het verschrikkelijk. Hij maakte grappen over zijn eigen lichaam, maar je zag aan hem dat hij zich schaamde als Marijke de kamer binnenkwam terwijl Els hem verschoonde.

De wijkverpleging was volgens Els geen optie. ‘Dan krijg je iedere keer iemand anders over de vloer. Henk wil geen vreemde aan zijn bed.’

Dat snapte ik. Echt. Maar op een avond vroeg ze of Marijke de volgende ochtend om zeven uur kon komen, omdat zij een afspraak bij de huisarts had en Henk niet alleen kon blijven.

Marijke zei dat ze die ochtend naar haar eigen cardioloog moest voor controle. Ze heeft al jaren last van hartritmestoornissen. Niet acuut gevaarlijk, maar stress doet haar geen goed.

Er viel een stilte aan de andere kant van de telefoon. Toen zei Els: ‘Ja, dan houdt het dus op, hè.’

Marijke vroeg wat ze daarmee bedoelde.

‘Nou, blijkbaar kan iedereen er alleen zijn zolang het in zijn agenda past.’

Marijke heeft daarna opgehangen. Niet boos, eerder bleek. Ze zei de rest van de avond bijna niets. Ik was kwaad op Els, maar ook op mezelf, omdat ik wist dat Els niet zomaar gemeen deed. Ze was bang. Bang om hem kwijt te raken en bang voor alles wat daarna kwam. Alleen maakte dat haar verwachting niet minder zwaar.

Twee dagen later zijn we bij hen gaan zitten. Henk sliep boven. Els had koffie gezet maar vergat de melk neer te zetten. Kleine dingen, ik let daar ineens op.

Ik zei dat we haar niet wilden laten vallen. Dat we best vaste dingen konden blijven doen: twee keer per week boodschappen, een middag bij Henk zitten zodat zij weg kon, rijden naar afspraken als het nodig was. Maar geen dagelijkse zorg, geen nachten, geen administratie die wij volledig moesten overnemen. Daar zijn mensen voor, zei ik. De huisarts kan wijkverpleging aanvragen, er is thuiszorg, misschien palliatieve zorg. Je hoeft het niet alleen te dragen.

Els keek me aan alsof ik had voorgesteld hem in een instelling te stoppen.

‘Dus jullie gaan gewoon lekker met die camper weg?’ vroeg ze.

Ik had kunnen liegen. Ik had kunnen zeggen dat we nog niet wisten wat we deden. Maar ik zei: ‘Ja. Waarschijnlijk wel. Misschien korter, misschien later. Maar we gaan niet alles afzeggen.’

Ze begon te huilen, zonder geluid eerst. Daarna zei ze: ‘Dertig jaar. Dertig jaar zeg je dat we familie zijn. En nu is er ineens een rooster nodig om te bepalen hoeveel familie we mogen zijn.’

Dat kwam hard aan. Want ergens had ze gelijk: als Henk midden in de nacht belt, stap ik in de auto. Als Els zegt dat er iets echt mis is, laat ik alles vallen. Maar wat is ‘alles’ als ziekte maanden duurt, misschien langer, en niemand weet hoe het loopt?

Henk belde me later die avond zelf. Heel zacht, alsof hij bang was dat Els het zou horen.

‘Ze meent het niet altijd zoals ze het zegt,’ zei hij.

Ik zei dat ik dat wist.

‘Maar ik wil ook geen vreemde kerel die mij helpt wassen,’ zei hij. ‘Dat kun je toch wel begrijpen?’

Daar wist ik geen goed antwoord op. Want ik begrijp het. Alleen ben ik ook die vreemde kerel niet. Ik ben zijn vriend. Ik wil met hem nog een keer naar Vitesse, als hij daar de kracht voor heeft. Ik wil bij hem zitten en ouwe verhalen ophalen over onze mislukte kano-vakantie en die keer dat onze kinderen de tent onder water zetten. Ik wil niet dat onze vriendschap alleen nog bestaat uit bezorgen, tillen, schoonmaken en kijken of iemand op tijd zijn morfine heeft gehad.

Sinds dat gesprek is het stiller. We doen nog steeds boodschappen op dinsdag en Marijke gaat meestal vrijdagmiddag. Els heeft uiteindelijk na aandringen van de huisarts iemand van de wijkverpleging toegelaten. Ze vindt het vreselijk en zegt bij ieder bezoek dat ze niet begrijpt waarom zoiets niet door bekenden gedaan kan worden.

Onze camper staat nog steeds op de oprit. We vertrekken over drie weken, als er niks onverwachts gebeurt. Ik schaam me bijna als ik ernaar kijk. Tegelijkertijd heb ik hem gisteren gewassen.

Dat voelde niet als opluchting. Ook niet als verraad. Meer als iets wat blijkbaar naast de ziekte van Henk moet blijven bestaan, hoe ongemakkelijk dat ook is.