Na 43 jaar in de zorg weiger ik een rapport te tekenen dat niet klopt
Het rapport ligt sinds maandag in mijn blauwe map, tussen een oude loonstrook en een pakje pepermunt dat al maanden open is. Ik heb het drie keer gelezen. Misschien vier. Elke keer blijf ik hangen bij dezelfde zin: “De afgesproken zorgmomenten zijn structureel geborgd binnen de beschikbare formatie.”
Dat is gewoon niet waar.
Ik ben 67 en werk al 43 jaar bij De Linde, eerst als leerling-verzorgende in het oude gebouw aan de rand van de stad, later als helpende plus en de laatste jaren op een somatiekafdeling. De naam is in al die tijd twee keer veranderd na fusies, er kwamen andere logo’s op de polo’s en steeds weer nieuwe systemen waar niemand echt blij van werd. Maar de mensen bleven mensen. Mevrouw Van Dijk die haar thee alleen drinkt als er een schijfje citroen in zit. Meneer Smit die elke ochtend vraagt waar zijn vrouw is, terwijl zij al twaalf jaar dood is. Daar doe je het uiteindelijk voor.
Mijn man Henk heeft er ook gewerkt. Technische dienst, 41 jaar. Hij kende elk plafond dat lekte en iedere deur die alleen dichtging als je hem een tik tegen de onderkant gaf. Sinds januari is hij met pensioen. Hij staat nu soms om half negen al de ramen te lappen of fietst naar de markt voor kibbeling, alsof hij moet leren hoe een gewone dinsdag eruitziet.
Ik moet nog drie jaar.
De nieuwe directie noemt het “toekomstbestendige zorg”. Dat klinkt heel netjes in een presentatie met gekleurde blokken. In de praktijk betekent het dat we met minder mensen dezelfde afdeling draaien. Soms minder dan hetzelfde, als ik eerlijk ben. Er worden diensten opengezet die niet gevuld raken. Dan schuift iemand van een andere afdeling aan, als die er al iemand kan missen. Of we krijgen een flexkracht die de bewoners niet kent en na drie uur wanhopig vraagt wie er niet zelfstandig naar het toilet mag.
Op papier wordt het steeds slimmer opgelost. Een douche die niet doorging omdat er geen tijd was, wordt soms geregistreerd als “cliënt koos voor een alternatief verzorgmoment”. Een wandeling die nooit heeft plaatsgevonden, wordt een “individueel welzijnsmoment aan bed”. Als een bewoner lang moet wachten op hulp bij het eten, heet dat in het systeem ineens “stimuleren van zelfredzaamheid”.
Niet iedereen schrijft bewust iets onwaars op. Dat wil ik ook zeggen. Veel collega’s zijn doodmoe en klikken aan wat hen wordt verteld, of wat het minst gedoe geeft. Sommigen zijn bang voor hun contract. Anderen zeggen dat ze niet anders kunnen omdat de planner anders weer belt met vragen. Maar het resultaat is hetzelfde: de cijfers zijn groen en wij lopen ons kapot.
Vorige week zat Ria, die 63 is en al haar hele leven nachtdiensten heeft gedraaid, na de overdracht te huilen in het magazijn. Niet hard. Juist stil. Ze zat op een omgekeerde krat tussen de pakken incontinentiemateriaal.
“Ik heb mevrouw El Amrani om kwart voor zeven alleen moeten laten,” zei ze. “Ze was nat, Carla. Ik moest naar meneer Koster, die lag op de grond. Wat moet je dan?”
Ik wist niets te zeggen. Ik heb alleen een hand op haar schouder gelegd. Daarna zijn we allebei weer doorgelopen omdat de bel van kamer 12 ging.
Thuis vertelde ik het aan Henk terwijl hij aardappels stond te schillen. Hij schilt ze altijd veel te dik. Dat deed hij vroeger al, en ik heb er vroeger ook altijd iets van gezegd. Nu niet meer zo.
Hij luisterde en knikte eerst. Toen zei hij: “Je hebt gelijk dat het niet goed is. Maar jij gaat dit niet alleen oplossen.”
“Ik hoef het niet alleen op te lossen. Ik kan wel zeggen dat ik dit rapport niet teken.”
Hij legde zijn mes neer. “En dan?”
“Dan moet iemand anders maar uitleggen waarom het niet klopt.”
“Carla, je bent 67. Nog drie jaar. We hebben eindelijk wat rust in zicht. Mijn pensioen is prima, maar we hebben jouw salaris ook gewoon nodig tot jij stopt. We wilden toch nog een paar weken naar Drenthe, misschien die camper huren. Waarom zou je nu op je laatste stuk zo’n oorlog beginnen?”
Dat woord bleef hangen: oorlog. Alsof ik zin had in strijd. Alsof ik niet iedere ochtend met een steen in mijn maag naar mijn werk ga omdat ik denk aan wie er die dag weer te lang moet wachten.
Ik werd boos op hem. Veel bozer dan nodig was.
“Jij bent lekker weg,” zei ik. “Jij hoeft niet meer te zien wat er gebeurt.”
Daar werd hij stil van. Dat had ik niet eerlijk gezegd. Henk heeft jarenlang storingen opgelost op zaterdagavond omdat anders de tillift het niet deed. Hij heeft ook altijd meer gedaan dan strikt zijn werk was. Maar hij is klaar. Hij heeft zijn pas ingeleverd. Misschien benijd ik hem daar wel om.
De volgende ochtend kreeg ik een uitnodiging voor een overleg met onze locatiemanager, een jonge vrouw die altijd vriendelijk praat maar nooit lang blijft als iemand echt emotioneel wordt. Het rapport moest die week naar de regiomanager. Ze zei dat mijn handtekening belangrijk was “vanwege mijn ervaring en draagvlak op de afdeling”.
Ik vroeg haar of ze wist dat op dinsdag twee bewoners pas na tienen uit bed waren geholpen omdat we met z’n tweeën stonden. Ze zei dat incidenten gemeld moesten worden volgens de procedure.
“Die zijn gemeld,” zei ik.
Toen keek ze op haar laptop. “Ik zie geen structureel patroon terug.”
Natuurlijk niet, dacht ik. Als je alles een incident noemt, bestaat er geen patroon.
Ze stelde voor dat ik mijn zorgen in een bijlage kon zetten, “constructief geformuleerd”. Ik heb ja geknikt, omdat ik op dat moment bang was dat ik anders iets zou zeggen waar ik spijt van kreeg. Daarna ben ik naar het toilet gegaan en heb ik daar zeker vijf minuten naar de voegen boven de wasbak staan kijken.
Vanavond ligt dat rapport weer op tafel. Henk heeft niets meer gezegd over niet tekenen. Hij zette alleen thee en vroeg of ik morgen vrij was. Dat ben ik niet.
Ik heb het rapport nog steeds niet ondertekend. Ik heb wel een mail gestuurd naar de vertrouwenspersoon en naar de ondernemingsraad, met de vraag of ik eerst met iemand kan praten. Misschien vinden ze dat laf, misschien vinden ze het verstandig. Ik weet het zelf niet.
Morgen om negen uur verwacht mijn manager mijn handtekening. Mijn pen ligt al klaar, maar ik weet nog niet wat ik ermee ga doen.