Sinds wanneer moet ik kiezen tussen mijn man en mijn vrienden?

Het begon met een schaaltje olijven, wat achteraf een beetje belachelijk klinkt.

We waren bij Kees en Marjan, zoals bijna elke vrijdag. Al twaalf jaar eten we met z’n zessen: Kees en Marjan, Bert en Lida, en Henk en ik. Om de beurt koken, geen ingewikkelde afspraken, gewoon rond half zeven binnenvallen met een fles wijn of een toetje. Vroeger bleven we soms tot na enen hangen. Nu kijken we rond half elf allemaal naar de tijd, alsof het ons tegelijk te binnen schiet dat de afvalbak nog buiten staat of de kat eten moet hebben.

Ik wilde de olijven op tafel zetten. Het dekseltje zat strak en mijn linkerhand werkt sinds een paar maanden niet altijd mee. Niet dramatisch, maar onhandig. Alsof mijn vingers net iets later begrijpen wat ze moeten doen. Henk zag het meteen.

‘Geef maar,’ zei hij, al met zijn hand uitgestoken.

Ik zei dat het lukte. Hij pakte het potje toch vast, draaide de deksel eraf en zette de olijven neer. Daarna trok hij zonder iets te vragen mijn stoel wat naar achteren, zodat ik makkelijker kon gaan zitten.

Marjan keek naar mij. Niet boos, eerder moe. Ze zei niets op dat moment, maar ik voelde het wel. Dat klinkt misschien overdreven, maar na zoveel jaar ken je elkaars blikken.

Thuis, in de auto, zei Henk: ‘Je moet die hand niet forceren.’

Ik zei: ‘Ik was een potje aan het openmaken, geen piano aan het verhuizen.’

Hij bleef even stil. ‘Ik probeer gewoon te helpen.’

Dat is ook zo. Daar zit precies het moeilijke.

Henk is geen nare man die mij klein wil houden. Hij heeft veertig jaar bij de gemeente gewerkt, eerst buitendienst, later als opzichter. Altijd degene die zag dat een stoeptegel loslag voordat iemand erover struikelde. Sinds mijn knie en die rare stijfheid in mijn handen erger zijn geworden, is hij nog alerter. Hij zet mijn schoenen recht bij de deur. Hij loopt alvast naar de auto als het regent. Hij draagt mijn tas, zelfs als er alleen een boek en mijn portemonnee in zitten.

Soms is dat fijn. Als we naar het ziekenhuis moeten en ik moe ben van het wachten, is het heerlijk dat hij alles onthoudt. Waar we moeten zijn, welke parkeerlaag, dat ik mijn bril niet moet vergeten. Hij maakt thee voordat ik erom vraag. Hij legt ’s avonds een kruik op de bank als mijn heup zeurt.

Maar soms zit ik in mijn eigen woonkamer en weet ik niet eens waar de afstandsbediening ligt, omdat Henk hem heeft weggehaald ‘zodat ik niet steeds hoef te bukken’.

De vrijdag erna ging het mis, of in elk geval verder mis.

Bert had gekookt. Stamppot met andijvie, veel te veel spekjes, precies zoals hij dat lekker vindt. Lida vertelde dat haar zus naar Portugal wilde emigreren, waarop Kees meteen begon over belasting en zorgverzekeringen. Gewoon zo’n avond. Ik stond in de keuken om de borden naar de tafel te brengen. Henk kwam achter me aan en nam er twee uit mijn handen.

‘Nel, laat mij nou even.’

Marjan zei toen: ‘Henk, ze draagt twee borden, geen kristallen kroonluchter.’

Er viel zo’n stilte waar iedereen ineens heel druk wordt met zijn servet. Henk keek haar aan en zei: ‘Je hoeft er geen grap van te maken.’

‘Dat doe ik ook niet,’ zei Marjan. ‘Maar je springt echt bij alles ertussen.’

Ik voelde mijn gezicht warm worden. Niet omdat ik boos was op Marjan. Eerder omdat ik het erg vond dat ze het hardop zei, terwijl ik zelf al weken deed alsof ik het niet zag.

Henk zette de borden neer. Te hard misschien. ‘Jullie zien haar één avond per week. Ik leef ermee. Ik zie hoeveel pijn ze heeft als ze ’s nachts uit bed komt.’

Daar had niemand echt een antwoord op.

Kees mompelde iets over dat het niet de bedoeling was om ruzie te maken. Bert schepte stamppot op alsof hij in een kantine werkte. Ik wilde zeggen dat ik geen onderwerp was waar iedereen omheen moest praten, maar ik kreeg het niet voor elkaar. Dus zei ik alleen dat ik wel trek had.

Een paar dagen later appte Marjan mij apart. Of ik koffie wilde drinken, zonder de mannen. Ik heb een halfuur naar dat bericht gekeken. Uiteindelijk zei ik ja.

We zaten bij Bagels & Beans in het centrum, wat eigenlijk te duur is voor koffie maar Marjan vindt die chai daar lekker. Ze had haar jas nog aan toen ze begon.

‘Ik wil niet dat je denkt dat we Henk buitensluiten,’ zei ze. ‘Maar we missen jou een beetje.’

Dat kwam harder binnen dan ik verwachtte.

Ze stelde voor om met Lida en mij op woensdagmiddag naar de beeldentuin in Rotterdam te gaan. Rustig aan, rolstoel lenen als het nodig was, veel bankjes. ‘En Henk hoeft dan niet mee. Niet omdat hij slecht is, maar omdat jij dan misschien zelf weer eens kunt kijken wat je wil en kan.’

Ik zei dat Henk zich zorgen zou maken. Marjan haalde haar schouders op, niet onvriendelijk. ‘Dat mag. Maar zijn zorgen kunnen toch niet altijd bepalen waar jij heen gaat?’

Thuis vertelde ik het tijdens het schillen van aardappels. Ik had het misschien slimmer moeten brengen. Eerst zeggen dat ik zin had, bijvoorbeeld. Maar ik zei meteen: ‘Marjan en Lida willen volgende week met mij naar Rotterdam, zonder jou.’

Henk stopte met schillen.

‘Zonder mij?’

‘Ja. Gewoon een middagje.’

Hij keek niet eens kwaad. Dat was erger. Hij keek gekwetst, alsof ik hem had verteld dat ik ergens al maanden over loog.

‘Dus zij vinden dat ik je gevangen houd?’

‘Dat zeggen ze niet.’

‘Nee, maar dat bedoelen ze wel.’

Ik zei dat hij dingen invulde. Hij zei dat ik naïef was. Toen zei ik, veel te scherp: ‘Misschien ben ik gewoon moe van steeds toestemming moeten vragen om een jas aan te trekken.’

Daar schrok ik zelf van. Henk ook. Hij legde het mes neer en liep naar de bijkeuken. Ik hoorde hem daar rommelen met de lege flessen, terwijl de zak helemaal niet vol was.

We hebben die avond nauwelijks gepraat. De aardappels waren te gaar. Ik kon ze bijna met mijn vork prakken, maar we aten toch zwijgend door.

De dag erna zei hij dat hij best meeging naar Rotterdam en dan ‘op afstand’ bleef. Ik zei dat dat het hele idee niet was. Hij vroeg wie er verantwoordelijk was als ik viel. Ik zei dat ik ook gewoon kan vallen als hij naast me loopt. Dat was flauw, want ik weet waar zijn angst vandaan komt. Vorig jaar ben ik in de badkamer uitgegleden. Niet eens heel ernstig, maar ik kon niet overeind en Henk vond me pas twintig minuten later. Sindsdien kijkt hij naar natte tegels alsof het vijanden zijn.

Ik ben uiteindelijk wel gegaan. Met mijn wandelstok, een rugzakje en mijn telefoon op honderd procent batterij. Henk vroeg drie keer of ik mijn medicatie bij me had. De vierde keer zei ik dat hij me niet naar Schiphol bracht voor een wereldreis.

In Rotterdam deed ik er lang over. Langer dan vroeger. Lida paste haar tempo aan zonder er iets van te maken. Marjan vroeg niet voortdurend of het ging, maar wees gewoon aan waar een bankje stond. Eén keer struikelde ik bijna over een opstaande rand. Mijn hart schoot naar mijn keel en ik zag Henk meteen voor me, met zijn hand onder mijn elleboog en die bezorgde frons.

Maar ik viel niet.

We dronken koffie en praatten vooral over gewone dingen. Over Kees die weer een andere barbecue wilde kopen. Over mijn dochter die vindt dat alles online moet. Over Lida’s kleinzoon die op kamers wil maar nergens iets kan vinden. Ik was kapot toen ik thuiskwam. Echt kapot. Mijn knie deed pijn en ik heb anderhalf uur op de bank gelegen.

Henk had soep gemaakt. Hij vroeg hoe het was, maar op een manier waarop ik hoorde dat hij bang was voor het antwoord.

‘Leuk,’ zei ik. ‘En vermoeiend.’

Hij knikte. ‘Dat geloof ik meteen.’

Vrijdag gaan we weer naar de groep. Ik weet niet of dat ontspannen wordt. Henk heeft nog niet gezegd dat hij sorry is, en Marjan waarschijnlijk ook niet. Misschien hoeft dat niet meteen. Misschien zitten we gewoon weer aan tafel, met te veel eten en dezelfde oude verhalen.

Ik hoop alleen dat niemand mijn stoel naar achteren schuift voordat ik er zelf aan toe ben.