Ik dacht dat we gewoon goede buren waren, tot ik bijna elke dag bij hen over de vloer kwam
Het begon met een appje over een pak melk.
Arie kon niet naar de supermarkt, schreef Marjan. Of ik misschien iets mee kon nemen als ik toch bij de Plus was. Ik stond al met mijn jas aan, dus ik zei natuurlijk ja. Dat was drie weken geleden. Sindsdien ben ik, geloof ik, zes keer bij de Plus geweest voor dingen die zij vergeten waren, niet konden tillen of waarvan Arie ineens alleen dát merk mocht hebben omdat hij misselijk werd van de rest.
Ik ben Henk, 68, en mijn vrouw Els is 66. Vier jaar geleden hebben we ons rijtjeshuis in Amersfoort verkocht. De kinderen waren allang de deur uit en we wilden kleiner wonen, rustiger. We vonden een vrijstaande woning aan de rand van een dorp in de Achterhoek. Geen paleis, hoor. Wel een tuin waar Els meteen verliefd op was en een schuurtje waar ik eindelijk mijn gereedschap kwijt kon zonder dat iemand er fietsen tegenaan zette.
Aan de overkant woonden Arie en Marjan. Bij de bezichtiging zagen we ze al achter het raam zitten, een beetje nieuwsgierig. Arie kwam diezelfde week met een pot appelstroop langs, zelfgemaakt door Marjan, zei hij. Hij had van die grote handen en lachte met zijn hele gezicht. Binnen een paar maanden zaten we elke vrijdagavond bij elkaar te eten. Soms bij ons, soms bij hen. We wandelden op zondag langs de Berkel, gingen een week naar Texel en het jaar daarop naar een huisje in Drenthe.
Het waren geen vrienden zoals je die uit je jeugd kent. Meer van die mensen die ineens onderdeel worden van je week. Als ik de heg ging snoeien, kwam Arie tien minuten later met zijn eigen snoeischaar. Niet omdat het nodig was, maar omdat hij dan kon mopperen op mijn techniek. Els en Marjan zaten vaak met koffie in de tuin en bespraken iedereen die in het dorp een dakkapel liet plaatsen of ging scheiden. Heel kleinschalig allemaal. Juist heerlijk na al dat drukke gedoe van vroeger.
Toen Arie vorig voorjaar ziek werd, dachten we eerst aan een zware longontsteking. Hij bleef maar hoesten, viel af. Uiteindelijk bleek het longkanker te zijn, met uitzaaiingen. Ik weet nog dat Marjan bij ons aan de keukentafel zat met haar jas nog aan. Ze hield haar tas op schoot alsof ze zo weer weg moest. Ze zei alleen: “Het is foute boel.”
Daarna ging alles vrij snel, maar tegelijk ook eindeloos langzaam. Onderzoeken in Doetinchem, gesprekken met de longarts, chemo, een keer spoed naar de huisartsenpost omdat Arie benauwd was. Hun dochter woont in Zwolle en werkt in de zorg. Hun zoon zit in Canada. Die belde veel, maar daar heb je weinig aan als de afvalcontainer buiten moet en iemand niet zelf onder de douche kan stappen.
Els en ik boden hulp aan. Dat voelde niet eens als een keuze. Ik reed Arie naar het ziekenhuis. Els kookte een paar keer per week extra. Marjan was kapot van de nachten waarin hij lag te hoesten of niet uit bed kon omdat hij duizelig was. Als wij dan zeiden dat we wel even de boodschappen deden, zag je haar schouders letterlijk zakken.
In het begin kregen we nog berichtjes als: dank jullie wel, zonder jullie waren we echt verloren. Later werden het berichten als: Henk, kun je om half tien rijden? Of: Els, heb je nog soep? Arie eet alleen die van jou.
Dat klinkt misschien kinderachtig van mij. Iemand is ernstig ziek, dan ga je niet zitten letten op de toon van een appje. Dat zei Els ook steeds. En ze had gelijk. Maar het werd geen incidentele hulp meer. Het werd een rooster waar wij niet om gevraagd hadden.
Ik bracht Arie niet alleen naar behandelingen, maar wachtte ook. Soms drie uur, soms langer. Hij wilde Marjan niet altijd mee hebben, omdat zij volgens hem te nerveus werd in de wachtkamer. Dan zat ik daar met een automaatkoffie, tussen mensen die allemaal deden alsof ze niet bang waren. Daarna wilde Arie meestal nog even langs de apotheek, dan naar huis, dan moest ik zijn rollator uit de auto tillen. Voor ik zelf thuis was, was de dag voorbij.
Els ging steeds vaker in de ochtend naar Marjan. Eerst om de was op te hangen of even te stofzuigen. Daarna om te helpen met douchen, omdat Marjan haar rug had verrekt. Daar voelde Els zich ongemakkelijk bij, maar ze zei: “Ze hebben niemand anders.”
Ik heb meerdere keren gezegd dat ze via de wijkverpleging of de thuiszorg moesten kijken. Marjan zei dan dat er wel iemand kwam voor bepaalde handelingen, maar dat ze steeds andere gezichten aan de deur kreeg. En dat die mensen geen tijd hadden voor de rommel, de post, een praatje of een pan eten. Dat begreep ik best. Alleen: wij waren ook geen thuiszorg, hoe hard dat misschien klinkt.
In november hadden Els en ik een weekendje naar Maastricht geboekt. Twee nachten, niet eens iets bijzonders. Het was een cadeaubon van onze dochter die al bijna verliep. De woensdag ervoor belde Marjan. Arie had koorts en moest waarschijnlijk de volgende dag naar het ziekenhuis voor controle. Of ik stand-by kon blijven, voor het geval zij het niet trok.
Ik zei dat we weg zouden gaan.
Aan de andere kant bleef het een paar tellen stil. Toen zei ze: “O ja. Dat hadden jullie natuurlijk gepland.” Op zo’n manier dat ik me meteen een rotzak voelde.
Arie belde later zelf. Hij zei niet dat ik moest blijven. Hij zei alleen: “Ik zou het fijn vinden als jij rijdt. Bij jou hoef ik niet uit te leggen dat ik bang ben.”
Dat is het gemene eraan. Hij zei de waarheid. Ik wist precies wanneer hij grapjes maakte omdat hij pijn had. Ik wist dat hij nooit wilde wachten bij de ingang omdat hij zich schaamde voor die rolstoel. Ik kon hem beter lezen dan sommige familieleden van hem.
Maar ik zei toch nee. Niet hard, niet boos. Ik zei dat Marjan de huisartsenpost kon bellen als het erger werd en dat er vast een oplossing zou komen. Daarna ben ik in de schuur gaan zitten, terwijl het buiten miezerde, en heb ik zeker twintig minuten naar een half afgemaakte vogelhuisje zitten kijken.
We zijn uiteindelijk naar Maastricht gegaan. Els heeft de eerste avond bijna niet gegeten. Ik ook niet. Marjan stuurde geen berichten meer. Op zaterdagavond zag Els via Facebook dat hun dochter bij hen thuis was. Dat stelde me gerust en maakte me tegelijk kwaad, waar ik me nog steeds voor schaam. Alsof zij ons expres niet hadden laten weten dat het geregeld was.
Sinds dat weekend is het anders. Niet openlijk, niet met geschreeuw. Arie is sindsdien sneller kortaf. Als ik vraag hoe het gaat, zegt hij: “Ach, we redden ons wel.” Marjan zegt nog wel gedag, maar ze kijkt dan net langs me heen. Els probeert soms een pannetje eten te brengen, maar ik merk dat ze ertegenop ziet om aan te bellen.
Vorige week vroeg Arie of ik hem maandag naar Doetinchem kon brengen. Ik had die ochtend een afspraak bij de tandarts, al maanden geleden gemaakt. Ik zei dat ik pas na twaalf uur kon.
“Laat maar,” zei hij. “Dan vraag ik wel iemand die tijd heeft.”
Ik heb hem daarna niet teruggebeld. Dat vind ik laf. Misschien bel ik morgen wel. Misschien ook niet meteen.
Els zegt dat we moeten afspreken wat we nog wél kunnen doen, anders glijden we terug in hetzelfde. Bijvoorbeeld één vaste boodschappendag, af en toe rijden als het echt niet anders kan, maar niet meer elke ochtend klaarstaan. Heel redelijk. Alleen voelt een lijstje maken voor een vriend die misschien niet beter wordt ook alsof je een rekening opmaakt.
Vanmiddag zag ik Marjan de kliko aan de straat zetten. Ze deed er lang over. Ik ben naar buiten gelopen en heb hem van haar overgenomen. Ze zei dank je en veegde met haar mouw langs haar neus, alsof ze verkouden was.
We zeiden verder niets. De kliko stond gewoon op tijd buiten.