Na veertig jaar vriendschap zei mijn beste vriend dat ik in een midlifecrisis zat
Ik heb het vakantieservies van Kees en Marjan nog steeds in onze schuur staan. Vier grote plastic bakken met van die blauwe melamine borden, opvouwbare wijnglazen en een gaspitje dat Kees ooit per se mee wilde nemen naar de Ardèche. Het staat er sinds afgelopen september.
Vroeger zou ik hem allang geappt hebben: “Je rommel staat hier nog, wanneer haal je het op?” Nu loop ik eromheen als ik de fietsen pak.
Ik ben drieënzestig, mijn vrouw Els is eenenzestig. Kees en Marjan kennen we sinds onze oudste kinderen bij elkaar in groep drie zaten. Onze kinderen zijn inmiddels allemaal de deur uit, twee wonen zelfs aan de andere kant van het land. Maar wij vier bleven over. Kerst bij hen, Pasen bij ons, Hemelvaart kamperen, in september een weekje weg als het kon. Als mijn moeder in het ziekenhuis lag, belde Kees eerder dan mijn broer. Toen Marjan haar borstoperatie had gehad, reed Els om de dag soep en schone handdoeken naar hen toe.
Ik zeg dit niet om te doen alsof het altijd perfect was. Kees kan vreselijk dominant zijn zodra er iets geregeld moet worden. Marjan kan drie weken lang zeggen dat er niets aan de hand is en dan tijdens een etentje ineens boos worden omdat iemand een verkeerde opmerking maakte. En ik ben ook niet makkelijk. Ik trek me terug als ik het moeilijk heb en doe dan alsof ik gewoon moe ben.
Maar we waren wel van elkaar. Zo voelde dat.
Ik had tot afgelopen voorjaar een kleine onderhoudsbedrijfje. Vooral loodgieterswerk, cv-ketels, lekkages, dat soort dingen. Geen groot bedrijf, geen personeel meer sinds mijn compagnon jaren geleden ziek werd, maar genoeg werk. Te veel eigenlijk. Ik had de AOW-leeftijd nog niet bereikt, dus stoppen was financieel gezien niet de meest voor de hand liggende stap. Dat weet ik zelf ook wel.
Alleen merkte ik dat ik ’s ochtends al met tegenzin naar mijn telefoon keek. Niet omdat ik het vak haatte. Ik kon nog steeds blij worden van een leiding die eindelijk niet meer lekte. Maar het was nooit klaar. Iemand had altijd koud water, een storing, een verhuurder die vond dat het voor een vriendenprijsje moest. En thuis zat ik steeds vaker stil aan tafel, alsof ik nog moest bijkomen van iets waar ik niet meer van bijkwam.
Els werkte nog twee dagen per week bij de bibliotheek. Zij zag het eerder dan ik.
“Je bent er wel,” zei ze een keer, “maar je bent nergens meer.”
We hebben er maanden over gepraat. Rekeningen erbij, pensioenoverzichten, spaargeld. We wonen hypotheekvrij in een rijtjeshuis in Zutphen, luxe is het niet, maar we redden ons. We kunnen niet iedere winter naar Spanje en als een van ons langdurig zorg nodig heeft, zal het krapper worden. Dat is gewoon zo. Toch besloot ik te stoppen.
Niet om op de bank te gaan zitten. Juist niet.
In onze buurt wonen behoorlijk wat alleenstaande ouderen, jonge statushouders en mensen die gewoon weinig aansluiting hebben. Achter ons huis ligt een grote, verwaarloosde tuin die bij een leegstaand voormalig wijkgebouw hoort. Via een kennis bij de gemeente hoorden we dat de buurt die ruimte misschien tijdelijk mocht gebruiken. Els en ik kregen het idee voor een kleine open tuin: een paar moestuinbakken, een tafel onder een afdak, koffie op zaterdagen, taal oefenen als daar behoefte aan was. Geen stichting met een directeur of iets groots. Gewoon een plek waar mensen iets konden doen en elkaar tegenkwamen.
Misschien was het naïef. Waarschijnlijk zelfs een beetje.
Kees reageerde eerst alsof ik had gezegd dat ik naar een commune wilde verhuizen.
“Dus jij stopt met een goedlopend bedrijf om onkruid te wieden met mensen die je niet kent?”
We zaten bij hen in de serre. Marjan had een kaasplank neergezet, veel te veel zoals altijd. Els lachte nog wat ongemakkelijk en zei dat het niet alleen om tuinieren ging.
“Ja, maar wat kost dat?” vroeg Kees meteen.
Ik zei dat we subsidie wilden aanvragen voor de basismaterialen en dat we zelf niet van plan waren er grote bedragen in te steken. Hooguit wat we ook aan een vakantie of nieuwe tuinset zouden uitgeven.
Marjan keek me lang aan. “Maar jullie hebben straks misschien zorg nodig. Of er gebeurt iets met het huis. Je weet het gewoon niet op onze leeftijd.”
Dat vond ik een redelijk punt. Ik zei ook dat ik daar wakker van lag. Alleen kwam het er bij haar uit alsof wij als kinderen met lucifers speelden.
Een paar weken later vroegen Els en ik of zij wilden helpen op de eerste open middag. Kees is handig met hout en Marjan kan geweldig met mensen omgaan, al wil ze dat zelf niet horen. We vroegen niet om geld. Niet om een vaste verplichting. Gewoon die ene zaterdag, misschien nog een keer als het beviel.
Kees zei meteen nee.
Marjan zei eerst niets. Toen zei ze: “Ik vind eerlijk gezegd dat jullie je tijd beter aan jullie kleinkinderen kunnen besteden.”
Dat kwam hard aan. Onze dochter woont in Groningen met haar twee kinderen. We zien ze niet iedere week, maar we gaan erheen wanneer het kan en passen op als zij ons nodig hebben. Alsof we door een paar uur per week in die tuin slechte opa en oma zouden worden.
Els vroeg heel rustig: “Waarom moet dat eigenlijk tegenover elkaar staan?”
Kees zuchtte. Hij had al wat wijn op. “Omdat jullie nu doen alsof jullie de wereld moeten redden. Het klinkt gewoon als een midlifecrisis, Henk. Nou ja, late midlifecrisis dan.”
Ik weet nog dat ik naar dat stuk brie keek waar niemand meer van at. Ik hoorde Els haar glas neerzetten. Niet hard, maar toch.
Ik had iets kunnen zeggen als: jij begrijpt het niet. Of: jij bent bang voor alles wat je niet kunt plannen. In plaats daarvan zei ik: “Wat een lullige opmerking.”
Kees werd rood en zei dat hij het goed bedoelde. Dat vrienden elkaar de waarheid moesten kunnen zeggen. Marjan begon over hoe hun eigen pensioenadviseur had gezegd dat je reserves nodig hebt. Alsof wij nooit een spreadsheet hadden gezien.
Daarna ging het snel en tegelijk ook helemaal niet. Geen geschreeuw. Vooral zinnen die je niet meer terug kunt duwen.
Els zei dat ze zich al maanden door hen beoordeeld voelde. Kees zei dat wij kritiek meteen als aanval zagen. Marjan huilde op een gegeven moment, maar ze bleef ook zeggen dat ze bang was dat wij onszelf zouden uitputten en uiteindelijk bij anderen zouden aankloppen. Dat is misschien haar manier van zorgen. Alleen voelde het die avond niet als zorgen.
We zijn zonder koffie weggegaan. Dat hebben we in bijna veertig jaar nooit gedaan.
De open middag in de tuin ging trouwens rommelig. Er waren minder mensen dan we hadden gehoopt. Het regende eerst en het afdak lekte. Een jongen van zeventien hielp me met de bakken in elkaar zetten en zette ze vervolgens scheef. Een mevrouw uit de flat kwam vooral klagen over kattenpoep. Maar later zaten er acht mensen rond een gammele tafel met koffie en kruidenthee. Iemand had cake meegebracht. Els raakte aan de praat met een Syrische vrouw die vroeger biologieles gaf en nu graag iets met planten wilde doen.
Ik voelde me die middag lichter dan in lange tijd. En daarna meteen schuldig, omdat ik dat blijkbaar niet gewoon aan Kees en Marjan kon vertellen.
Kees stuurde me vorige week een berichtje. Of ik zondag voetbal wilde kijken, PSV tegen Ajax. Alsof er niets was gebeurd, maar ook weer niet helemaal. Ik heb pas de volgende ochtend geantwoord dat ik die middag in de tuin was.
Hij stuurde alleen: “Oké.”
Misschien hebben ze gelijk dat we voorzichtig moeten zijn. Ik ben niet ineens vrij van zorgen omdat ik een paar tomatenplanten in de grond zet. En misschien heb ik hen te snel weggezet als bekrompen, terwijl zij ook gewoon bang zijn dat wij straks spijt krijgen.
Maar ik kan niet terug naar hoe het was door te doen alsof die avond niet gebeurd is. Els zegt dat ik Kees moet bellen. Ik zeg telkens dat ik dat nog wel doe.
Vanmiddag ga ik eerst die bakken uit de schuur verplaatsen. Niet weggooien. Daar ben ik nog niet aan toe.