Na veertig jaar Frankrijk wil ik niet meer doen alsof onze vriendengroep gezellig is
Vorige week stond er weer zo’n bericht in onze WhatsApp-groep: een foto van een wit vakantiehuis met blauwe luiken, ergens in de Ardèche. Daaronder had Monique al een heel verhaal getypt over de aanbetaling, de kamerindeling en welke twee auto’s het beste konden rijden.
Niemand had nog gezegd dat ze dat huis mooi vonden. Niemand had gezegd dat die week uitkwam.
Ik zat aan de keukentafel met mijn koffie, las het bericht drie keer en voelde mijn schouders omhoog gaan. Gerard zat tegenover me zijn krant te lezen. Ik zei: „Ik ga dit jaar niet mee.”
Hij keek niet eens meteen op. „Waar heb je het nou weer over?”
Dat zinnetje alleen al. Alsof ik een lekke band was die om de paar maanden terugkwam.
We gaan al veertig jaar met ongeveer dezelfde mensen op vakantie. Eerst waren we met z’n zessen, jonge stellen nog, met kleine tentjes en kinderen die om half zes wakker werden. Later werden het stacaravans, gîtes, huizen met een zwembad. De kinderen gingen studeren, kregen zelf relaties, sommige gingen een paar jaar nog mee en haakten toen af. Wij bleven over: Gerard en ik, Monique en Henk, Saskia en Paul, en sinds een jaar of twaalf ook Kees, nadat zijn vrouw was overleden.
Vroeger regelden we het min of meer samen. De een vond iets op internet, de ander belde, iedereen legde geld in. Er werd ook genoeg gemopperd, hoor. Maar het voelde alsof we met elkaar weg gingen.
Dat is langzaam veranderd. Niet van de ene op de andere dag. Monique is goed in dingen regelen, dat moet ik haar nageven. Ze heeft spreadsheets, ze onthoudt wanneer de vroegboekkorting afloopt, ze weet welke supermarkt in Frankrijk op zondag open is. Als zij er niet was, zouden we waarschijnlijk pas in mei bedenken dat we nog iets moesten boeken.
Maar op een gegeven moment werd regelen hetzelfde als beslissen.
Dan zei ze bijvoorbeeld: „Voor de overzichtelijkheid doen we gewoon weer een boodschappenpot van honderd euro per stel.” En als ik dan zei dat Gerard en ik nauwelijks wijn drinken en Kees juist elke avond twee flessen opentrok, kreeg ik te horen: „Ach Els, we gaan toch niet op elke slak zout leggen?”
Of ze bepaalde dat ik met Saskia een slaapkamer met twee eenpersoonsbedden kreeg, omdat Gerard volgens haar zo hard snurkte dat hij beter bij Henk kon liggen in de aanbouw. Iedereen lachte daar dan om. Gerard ook. Hij vond het wel praktisch, zei hij.
Ik niet.
Het ergste was misschien niet eens wat Monique deed. Het ergste was dat de rest het liet gebeuren en dat ik, als ik er iets van zei, de moeilijke werd. Ik heb jarenlang gedacht: laat maar. Het is tien dagen. Je ziet elkaar niet elke week. Maak er geen punt van.
Maar die tien dagen werden steeds meer iets waar ik tegenop zag. Ik lette bij het inpakken al op welke kleren „handig” genoeg waren volgens Monique. Als we ergens wilden lunchen, wist ik dat zij uiteindelijk zou bepalen dat we beter door konden rijden. Als ik ’s ochtends een keer alleen naar een marktje wilde, vroeg ze of ik dan niet gewoon ’s middags mee kon, „want we hadden toch afgesproken om naar die grot te gaan?” Terwijl we dat helemaal niet hadden afgesproken. Zij had het in de groepsapp gezet.
Vorig jaar, in de Vaucluse, barstte ik niet eens uit. Dat is misschien het treurige. We zaten met z’n allen buiten. Het was warm, er stonden van die plastic glazen op tafel en de mannen waren bezig met de barbecue. Monique vertelde dat zij voor het volgende jaar wel iets groters wilde zoeken, want haar dochter Iris en haar vriend konden misschien een paar dagen langskomen.
Ik zei dat ik daar niet zo’n behoefte aan had. Niet omdat ik Iris niet mag, maar omdat het al druk genoeg is en wij altijd zeiden: dit is ónze week.
Monique keek me aan alsof ik iets heel onredelijks had gezegd. „Maar die twee zijn hartstikke gezellig. En jij hebt toch ook altijd gezegd dat je je kleinkinderen mist in de zomer?”
Dat had ik inderdaad eens gezegd. Tegen Saskia. In vertrouwen, dacht ik.
Gerard zei toen: „Ach, een paar dagen kan toch wel?”
Hij zei het vriendelijk. Bijna verzoenend. Maar ik voelde me zó alleen aan die tafel. Alsof ik iets moest verdedigen wat ik zelf niet eens goed onder woorden kon brengen.
Thuis heb ik er nog over geprobeerd te praten. Gerard zei dat Monique soms wat veel was, maar dat ze het goed bedoelde. Dat Henk haar ook niet altijd aankon. Dat je na veertig jaar nu eenmaal weet hoe iedereen in elkaar zit.
„Jij weet dus ook hoe ík in elkaar zit,” zei ik.
„Natuurlijk.”
„Waarom vraag je dan altijd aan iedereen behalve aan mij of ik het wel prima vind?”
Daar had hij geen echt antwoord op. Hij werd boos, wat Gerard doet als hij zich klem voelt zitten. Hij ging de vuilnis buiten zetten terwijl die zak nog lang niet vol was.
Na dat bericht over de Ardèche heb ik in de groep geschreven dat ik eerst wilde overleggen voordat er geboekt werd. Geen lange tirade. Ik heb alleen gezegd dat ik het vervelend vind dat de plannen vaak al vastliggen voordat iedereen iets heeft kunnen zeggen, en dat ik dit jaar niet mee wil als het weer op dezelfde manier gaat.
Binnen tien minuten belde Saskia. Ze klonk oprecht geschrokken. Ze zei: „Maar Els, we dachten echt dat jij het fijn vond dat Monique dat deed. Jij zegt toch nooit iets?”
Dat kwam hard aan, omdat het waar is. Ik heb niet nooit iets gezegd, maar ik heb het vaak ingeslikt of weggelachen. Omdat ik geen gedoe wilde. Nu was het gedoe er alsnog, alleen veel groter.
Monique stuurde later een apart bericht. Ze schreef dat ze zich aangevallen voelde en dat ze al die jaren „met liefde de kar had getrokken”. Ze zei ook dat als iedereen voortaan over elk detail moest stemmen, zij er geen energie meer in had.
Ik snap dat zelfs. Echt. Ik wil ook niet dat zij zich moet verantwoorden voor iedere boodschap of iedere tolweg. Maar daar gaat het niet om. Ik wil niet behandeld worden alsof mijn mening pas telt als die niet lastig is.
Gerard vindt dat ik een ultimatum heb gesteld en dat dat niet eerlijk is. Hij zegt dat deze groep voor hem meer betekent dan alleen een vakantie. Sinds hij met pensioen is, ziet hij de mannen veel vaker. Ze fietsen op donderdag, drinken daarna koffie bij de HEMA of bij Paul thuis. Hij heeft niet gemakkelijk nieuwe vrienden gemaakt, nooit gedaan ook. Hij is bang dat alles verandert als hij nu zegt dat we niet meegaan.
Gisteren zei hij, heel voorzichtig, dat hij misschien alleen zou kunnen gaan. „Dan hoef jij niet in een situatie waar je ongelukkig van wordt, en ik hoef niet meteen met iedereen te breken.”
Ik weet nog dat ik naar zijn handen keek. Hij was aardappels aan het schillen en er lag zo’n krullende sliert schil op het aanrecht. Ik zei niet meteen iets, omdat ik bang was dat ik zou gaan huilen.
Toen zei ik: „Dus jouw oplossing is dat jij naar de mensen gaat die mij al jaren laten voelen dat ik er maar een beetje bij hang?”
Hij legde het mes neer. „Dat zeg ik niet.”
„Maar dat is wel wat je doet.”
Hij heeft die avond op de bank geslapen. Niet omdat ik dat vroeg. Hij zei dat hij nog wilde kijken naar de route, maar zijn deken lag er al voordat hij de laptop openklapte.
Sindsdien praten we vooral praktisch. Over de APK van de auto. Over onze zoon Martijn, die zondag met de kleinkinderen komt. Over dat de energierekening weer hoger is dan we dachten. De WhatsApp-groep is stil, op een duimpje van Kees na onder Moniques bericht. Het huis is nog niet geboekt, voor zover ik weet.
Ik wil niet dat Gerard zijn vrienden kwijtraakt. Ik wil ook niet dat Monique de schuld krijgt van alles wat ik zelf jarenlang niet duidelijk heb gemaakt. Maar ik kan niet nog een zomer ergens aan een lange tafel zitten en doen alsof ik blij ben dat iemand anders mijn dagen invult.
Vanmorgen vroeg Gerard of ik vanavond mee wilde wandelen. Gewoon een rondje door het park, zei hij. Ik heb ja gezegd. De afwas stond nog op het aanrecht. Die laten we maar even staan.