Onze lunch op zondag viel uiteen door de dementie van een vriend, en mijn man noemt mij nog steeds een verrader

Ik heb de tafel niet meer gedekt op de eerste zondag van deze maand. Dat klinkt misschien als iets kleins, maar ik had er de hele ochtend een naar gevoel van.

Al ruim dertig jaar lunchen wij, mijn man Henk en ik, met dezelfde mensen op de eerste zondag van de maand. Ooit begonnen we ermee toen de kinderen nog klein waren en we allemaal in dezelfde nieuwbouwwijk in Amersfoort woonden. Iedereen nam iets mee: stokbrood, soep, een schaal salade, later wijn toen niemand meer hoefde te rijden voor een peuterzwemles of voetbalwedstrijd.

Nu zijn we met z’n achten, althans, officieel. Ria en Fred. Marjan en Koos. Henk en ik. En Pieter.

Pieter is sinds zes jaar weduwnaar. Zijn vrouw Els overleed vrij snel aan alvleesklierkanker. Hij heeft het daar lang moeilijk mee gehad, maar hij bleef komen. Soms zat hij wat stiller, soms dronk hij te veel rode wijn en vertelde hij voor de vierde keer hoe Els vroeger met de kinderen op Terschelling een tent opzette terwijl hij de haringen kwijt was. We lieten hem. Dat hoort bij een vriendengroep die zo lang bestaat.

Sinds ongeveer anderhalf jaar is er iets veranderd. Eerst waren het dingen waar je nog omheen kon praten. Pieter die twee keer op dezelfde middag vroeg of Koos al met pensioen was. Pieter die bij ons voor de deur stond op een zaterdag, terwijl de lunch pas de volgende dag zou zijn. Hij lachte er zelf om. ‘Ik loop een dag vooruit, blijkbaar.’

Maar het werd minder grappig. Hij raakte spullen kwijt in andermans huis en zei dan dat iemand ze had weggehaald. Hij wist plotseling niet meer wie Marjan was, terwijl zij vroeger samen in dezelfde bibliotheek werkten. Een keer begon hij tijdens de koffie heel hard te huilen omdat hij dacht dat Els boven lag te slapen en hij haar niet wakker mocht maken.

Niemand wist wat te doen. Henk ging naast hem zitten en legde een hand op zijn schouder. Ria ruimde zonder iets te zeggen de borden af. Ik weet nog dat ik in de keuken stond met een theedoek in mijn handen en dacht: dit is niet meer gewoon verdriet. Maar ik schaamde me meteen voor die gedachte.

Pieter heeft inmiddels een diagnose. Beginnende Alzheimer. Zijn dochter, Anouk, regelt veel voor hem. Ze heeft ook gezegd dat hij na drukke middagen vaak helemaal op is, soms boos of verward. Toch wil hij zelf graag naar onze lunches. Volgens Henk is dat het enige wat telt.

‘Hij heeft ons nodig,’ zei hij steeds als ik voorzichtig begon.

Dat vond ik ook. Alleen zag ik iets wat Henk niet wilde zien. De anderen kwamen steeds minder vaak.

Fred had ineens last van zijn knie, drie maanden achter elkaar. Koos en Marjan gingen ‘even een weekendje weg’ terwijl ik op Facebook zag dat Marjan gewoon thuis een foto van haar kleindochter had geplaatst. Ria belde me op een woensdagavond. Ze sprak zacht, alsof Fred in de kamer ernaast lag te slapen.

‘Lies, ik durf het bijna niet te zeggen, maar ik trek die middagen niet goed meer.’

Ze zei dat Pieter haar de vorige keer had uitgemaakt voor een inhalige vrouw omdat zij voorstelde om geen wijn meer open te trekken. Hij had daarna een halfuur lang beweerd dat Henk geld van hem had geleend. Henk lachte het weg, maar Ria had de hele terugweg in de auto gehuild.

‘Ik weet dat hij ziek is,’ zei ze. ‘Dat snap ik echt. Maar ik word er zenuwachtig van voordat we gaan. En Fred ook.’

Ik had precies hetzelfde gevoel, alleen zei ik het thuis nooit zo hard. Op zaterdagavond dacht ik al: alsjeblieft, laat morgen rustig verlopen. Dat is geen fijne gedachte over een vriend.

De zondag erna ging het mis. Pieter kwam te laat, zonder jas, terwijl het vroor. Hij was ervan overtuigd dat Anouk hem expres thuis had opgesloten en dat wij haar hadden geholpen. Toen Marjan zei dat ze hem misschien even moest bellen, sloeg hij met zijn vlakke hand op tafel. Niet heel hard, maar hard genoeg om de glazen te laten rinkelen.

‘Jullie willen van me af,’ riep hij.

Niemand zei iets. Ik ook niet. Henk wel.

‘Natuurlijk niet, jongen.’

Hij zei het op een kalmerende toon, maar Pieter werd juist bozer. Hij liep na een paar minuten naar buiten. Henk ging achter hem aan. Uiteindelijk heeft Anouk hem opgehaald. Zij was vriendelijk, te vriendelijk bijna. Ze trok zijn jas aan, zei dat hij een lange dag had gehad en verontschuldigde zich namens hem. Pieter keek ons niet aan.

Toen de deur dichtviel, zei Koos: ‘Dit kunnen we toch niet elke maand zo blijven doen?’

Henk keek hem aan alsof Koos iets walgelijks had gezegd.

Die avond heb ik voorgesteld om de lunches voorlopig anders te doen. Geen vaste groep van acht rond een tafel. Misschien om de beurt met z’n tweeën of vieren bij Pieter koffie drinken. Korter, rustiger. Anouk erbij als dat nodig was. De rest van de groep kon elkaar dan ook blijven zien zonder dat iedereen zich schuldig voelde als hij afzegde.

Henk stond bij het aanrecht een pan af te wassen die al schoon was.

‘Dus jij wilt hem eruit werken.’

‘Nee. Juist niet. Ik wil voorkomen dat iedereen verdwijnt en hij als laatste overblijft.’

‘Dat gebeurt alleen als mensen geen ruggengraat hebben.’

Ik werd toen ook kwaad. Ik zei dat het makkelijk praten was, omdat Henk na zo’n middag altijd nog een rondje ging fietsen om zijn hoofd leeg te maken, terwijl ik thuis de berichten van Ria en Marjan kreeg. Ik zei dat Pieter niet geholpen was met een tafel vol mensen die bang waren voor wat hij zou zeggen. Dat was gemeen, misschien, maar ook waar.

Vorige week heb ik zonder Henk een afspraak gemaakt met Ria, Fred, Marjan en Koos bij De Hof in Hoogland. Gewoon koffie, geen uitgebreide lunch. Ik heb Pieter niet uitgenodigd. Niet omdat ik hem niet wilde zien, maar omdat ik eerst wilde bespreken hoe we dit konden doen zonder steeds over hem heen te praten waar hij bij zat.

Henk ontdekte het doordat Marjan per ongeluk reageerde in onze oude WhatsApp-groep. Hij vroeg niet eens waarom. Hij zei alleen: ‘Je hebt dus gewoon een nieuwe groep gemaakt.’

Ik heb geprobeerd uit te leggen dat het geen nieuwe groep was. Dat het een overleg was. Maar terwijl ik dat zei, hoorde ik zelf hoe laf het klonk.

De koffie bij De Hof was ook geen opluchting. We hadden het vooral over Pieter. Over wie hem wanneer kon bellen. Over Anouk, die misschien een casemanager dementie had via de huisarts, maar dat wist niemand zeker. Over de vraag of hij nog veilig alleen naar de supermarkt ging. En tussendoor praatten we over heel gewone dingen: de lekkage bij Fred, de verkoop van het huis van Marjans zus, mijn moeder die weer naar de mondhygiënist moest. Dat gewone gesprek maakte me bijna verdrietiger dan het moeilijke gedeelte.

Henk is gisteren wel met mij meegegaan naar Pieter. We namen tomatensoep mee, omdat Pieter daar vroeger altijd om vroeg. Hij was vriendelijk die middag. Hij wist dat we kwamen en had zijn tafel gedekt met drie verschillende soorten placemats. Hij vertelde twee keer hetzelfde verhaal over Els, maar de tweede keer keek Henk niet op zijn telefoon zoals hij anders soms doet.

Toen we weggingen, zei Pieter: ‘Volgende zondag bij jullie toch?’

Henk keek naar mij. Ik wist het antwoord niet meteen.

Ik zei dat we Anouk even zouden bellen om iets af te spreken. Pieter knikte alsof dat een prima plan was, en vroeg daarna of Els ook mee zou komen.

In de auto zei Henk niets. Thuis zette hij de vaatwasser aan, hoewel er maar twee kommen in stonden.

De eerste zondag van volgende maand staat nog steeds leeg in onze agenda. Ik weet niet of dat tijdelijk is of het begin van iets waar we nooit meer bij terugkomen.